Van wie is deze tekening?

Kleindochter Koenigs eist collectie terug van de staat.

Maar zoon Wilhelm is het ermee oneens, zegt hij.

Franz W. Koenigs, verzamelaar van de beroemde collectie-Koenigs, heeft nog één kind, bankier in ruste mr. Wilhelm O. Koenigs.

En Franz Koenigs heeft veertien kleinkinderen. Eén van hen, Christine Koenigs, probeert al enkele jaren een deel van de kunstverzameling van haar grootvader in handen te krijgen. Volgens haar gaat het om ‘oorlogskunst’ die haar grootvader onder druk van de nazi’s in de Tweede Wereldoorlog af heeft moeten staan.

Nu de Raad van State zich vandaag over de kwestie buigt, treedt Wilhelm Koenigs (1926) voor het eerst naar buiten. Hij vindt, zegt hij, dat „de goede naam van mijn vader, als persoon en verzamelaar, ernstig in geding is” door het geprocedeer van Christine Koenigs – en de daarmee samenhangende publiciteit.

Nadat zijn nicht in 2002 haar ‘restitutieverzoek’ had ingediend, tekende Wilhelm Koenigs al bezwaar aan bij de speciale Restitutiecommissie Tweede Oorlog. Maar nu de zaak een nieuwe ronde doormaakt, zoekt hij de publiciteit. Hij wil eraan herinneren dat er geen sprake is van een claim van de familie Koenigs, maar van slechts één van de veertien kleinkinderen van Franz Koenigs, dat elf jaar na diens overlijden ter wereld kwam.

De claim van Christine Koenigs, die zij in 2002 indiende, heeft betrekking op 37 tekeningen plus een aantal schilderijen, die ook tijdens de oorlog zijn verkocht. De kern van haar betoog is dat haar grootvader zijn kostbare kunstbezit is kwijtgeraakt onder druk van de oorlogsomstandigheden. Dat hij zelf niet tot een vervolgde groep behoorde, neemt volgens haar niet weg dat zijn lot wat betreft de kunstvoorwerpen ‘rechtstreeks was vastgeklonken’ aan het lot van de joodse bank waar hij ze had beleend.

Ook had Franz Koenigs volgens zijn kleindochter een negatieve houding tegenover het nazi-bewind. Bovendien is hij, betoogt zij, zijn collectie kwijtgeraakt tegen een aanzienlijk lagere prijs dan wanneer het nazi-regime zich niet had laten gelden.

De Restitutiecommissie Tweede Wereldoorlog, die zich over de claim boog, hanteerde in reactie op de claim als maatstaf of ‘zonder de oorlogsdreiging het bezitsverlies van de collectie zich nimmer zou hebben voorgedaan’. De commissie concludeerde dat Christine Koenigs dit niet aannemelijk had weten te maken. Het bezitsverlies had „uitsluitend een economische/zakelijke oorzaak”, aldus de restitutiecommissie, die toenmalig staatssecretaris Medy van der Laan (Cultuur) adviseerde de claim af te wijzen – wat zij in 2003 deed.

Wilhelm Koenigs is het met die afwijzing eens. „Als enige nog levende kind van Franz Koenigs, de enige die hem in zijn laatste jaren bewust heeft meegemaakt”, zegt hij zich nu genoodzaakt te zien publiekelijk een reactie te geven op de stappen van zijn nicht. Daarbij komt, zegt hij, „dat ik als oud-bankier goed op de hoogte ben van de financiële aspecten en de economische omstandigheden die in de jaren dertig een rol hebben gespeeld.”

Eén van deze omstandigheden is de aanzienlijke prijsdaling op de kunstmarkt in het begin van de jaren dertig, gevolgd door een nieuwe daling in 1939-’40. Bovendien werd de collectie, conform de wens van de verzamelaar, en bloc op de markt gebracht, wat prijsdrukkend werkt. Zo bleek de verkoop niet eens voldoende om de hele schuld aan de bank af te lossen.

Wilhelm Koenigs vertelt dat zijn vader kort na de Eerste Wereldoorlog medeoprichter was van de Bank Rhodius Koenigs, een Nederlandse bank. Deze speelde – zoals andere banken in dit land – een rol bij de financiering van Duitse bedrijven.

Zelf nam de bank voor dit doel vaak geld op in het buitenland (Londen). Door de economische crisis kromp de internationale markt echter vanaf 1929, terwijl Duitse betalingen naar het buitenland waren geblokkeerd door een speciale wet, de zogeheten Stillhalte.

Zodoende kwam Rhodius Koenigs in een moeilijk parket. In 1931 werd een aanzienlijke lening bij de bank Lisser & Rosenkranz afgesloten, met de collectie als onderpand. De kunstwerken werd in bewaring gegeven in het huis van Franz Koenigs aan het Florapark in Haarlem en later in het Museum Boijmans – niet alleen om ze te bewaren, maar vooral ook om ze publiek toegankelijk te maken.

Met de verpanding sloot de verzamelaar een hoofdstuk af, zegt Wilhelm Koenigs. Hij noemt het typerend dat zijn vader direct een nieuwe collectie begon, die hij onderbracht in het buitenland en die later is verdeeld onder de erfgenamen. Deze erfenis was in essentie in 1956 afgewikkeld, aldus Koenigs.

Voor de grote collectie waar het nu om gaat, is na de oorlog géén verzoek tot rechtsherstel ingediend. Daarom had Wilhelm Koenigs ook zoveel bezwaar tegen de claim bij de restitutiecommissie. Die werd in feite gevraagd een oordeel te geven over iets waarvoor zij niet ingesteld is, namelijk dat mensen bij leven niet in staat zijn hun belangen correct af te wegen. Terwijl dat toch moeilijk kan worden gezegd van de beslissing van Koenigs’ vader, die een onderhandse verkoop verkoos boven de schande van een faillissement.

Het was altijd de bedoeling dat de grote collectie bijeen zou blijven, zegt Wilhelm Koenigs. Hij zou het „schitterend” vinden als Rusland zou overgaan tot teruggave van de werken – en hij steunt de inspanningen van de Nederlandse Staat ze terug te krijgen.

Het verlies van ruim vijfhonderd pronkstukken door de verkoop in 1940 door Van Beuningen aan een Duitse kunstkoper is „een hard gelag” geweest voor zijn vader, „een zwarte bladzijde”. Symbolisch noemt hij de tekening van een trekschuit door Giandomenico Tiepolo (1727-1804), die twee pagina’s beslaat. De ene bevindt zich in Rotterdam, de andere in Rusland.

„De samenhang was essentieel voor mijn vader”, zegt Wilhelm Koenigs. „Hij was een zakenman. Zijn aanvankelijk succes heeft hem gefortuneerd gemaakt, waardoor hij financieel in staat was een verzameling op te bouwen. Aan zakendoen kleven echter ook risico’s, die hij bewust heeft genomen. Hij heeft gegokt en deels verloren. Maar hij heeft gewonnen omdat zijn wereldvermaarde, samenhangende collectie ondanks alle financiële en politieke perikelen goeddeels bij elkaar is gebleven en nog tijdens zijn leven een plaats heeft gevonden in het museum dat hij wenste. Dat veel tekeningen inmiddels zijn teruggekomen en dat zijn verzameling internationaal nog steeds bekend staat als de Koenigs-collectie zou hem groot genoegen doen.”

Rectificatie / Gerectificeerd

De behandeling door de Raad van State van de claim op de collectie- Koenigs , zoals beschreven in Van wie is deze tekening? (2 november, pagina 26), heeft niet betrekking op de weigering van de Staat kunstwerken terug te geven. De vraag is of de eiseres, Christine F. Koenigs , de mogelijkheid heeft tegen deze weigering bezwaar en beroep aan te tekenen. Uitspraak over enkele weken.