Schriftgeleerden zonder natuurwet

De wetenschap kwijnt weg in de islamitische wereld, constateert vandaag Nature. De Syrische filosoof Sadik Al-Azm legt uit waarom. „Arabische nationalisten durfden niet onder ogen te zien dat wetenschap botst met religie.”

Wetenschap leidt in de islamitische wereld een kwijnend bestaan. Op alle relevante maten – aantallen studenten, wetenschappelijke publicaties, vermeldingen in de Science Citation Index (SCI), patenten en begrotingspercentages voor onderwijs en onderzoek – scoren moslimlanden slecht. In westerse industrielanden wordt gemiddeld 2,3 procent van het BNP uitgegeven aan onderwijs en onderzoek. In Iran is dat 0,6 procent en in Saoedi-Arabië, Qatar en Koeweit 0,2 procent. Deze cijfers staan in het Britse weekblad Nature, dat deze week een katern wijdt aan het wetenschapsbedrijf in islamitische landen.

Wetenschap, cultuur en religie: de studie van deze driehoeksverhouding is het levenswerk van de Syrische filosoof Sadik Al-Azm. Hij is een stedeling, maar ook een nomade die heen en weer reist tussen Damascus, de Verenigde Staten en Europa. Tot het eind van dit jaar werkt hij in het NIAS, een villa in de bossen van Wassenaar. Terwijl het loofbos rond zijn logeeradres bonte herfstkleuren aanneemt, vertelt hij over zijn favoriete onderwerp.

De Al-Azm behoren tot de Arabische elite. Grootvader Sadik Pasja was de laatste Ottomaanse gouverneur van Bulgarije. Sadik jr. bezocht scholen van franciscanen, maristen en jezuïeten in Damascus en een presbyteriaanse school in Libanon. Daarna studeerde hij wijsbegeerte aan de Amerikaanse Universiteit in Beiroet. Aan Yale University verdiepte hij zich in de Europese filosofie en in 1961 werd hij docent aan zijn alma mater in Beiroet. Al-Azm: „De intellectuele vrijheid daar was te danken aan het precaire evenwicht tussen de vele geloofsgemeenschappen in Libanon. In Kaïro en Damascus heersten de seculier-nationalistische regimes van Nasser en de Baathpartij. Die beschouwden wij als progressief, maar hun lijn was nogal dwingend.”

Nasser nationaliseerde in 1956 het Suezkanaal, bouwde de Aswandam en maakte van Al-Azhar, centrum van islamitische geleerdheid, een gewone universiteit. Al-Azm: „Toch ging dit niet gepaard met een verandering in mythologieën en waardesystemen. Arabische nationalisten zeiden: wetenschap is belangrijk als we vooruitgang willen boeken, maar ze durfden niet onder ogen te zien dat serieus wetenschapsbeleid botst met religie. Leerlingen gaan naar de aardrijkskundeles en leren waarom het regent: wolken, de watercyclus, condensatie. In de godsdienstles leren ze atmosferische verschijnselen toe te schrijven aan God. Voor mij begon het daar: die parallelle causaliteiten. Zowel de moslims als de christenen binnen het establishment ontliepen dit probleem met elastische frasen, waarvoor het Arabisch zich zeer goed leent. Je moest die twee verklaringsmodellen niet met elkaar in verband brengen: de een was een kwestie van godsdienst, de ander van wetenschap.”

In 1965 werd Al-Azm het middelpunt van een schandaal. De bom was een artikel over de val van Satan. „Ik kon het bewuste koranverhaal niet geloven en beschouwde het als een mythe. Ik schreef een artikel met de titel ‘De tragedie van Satan’. Daarin maakte ik van de duivel een tragische held, zoals Sofokles’ Oedipus en Camus’ De Vreemdeling. Het stuk veroorzaakte een schandaal dat leidde tot mijn ontslag. De bovenbouw bleek niet mee te geven.”

„Schriftgeleerden”, zegt Al-Azm, „orakelen welke wetenschappelijke inzichten en technische vindingen geoorloofd zijn, maar hebben geen benul van natuurwetten.” In 1982 schetste de grootmoefti van Saoedi-Arabië, Abdul-Aziz bin Baz, een kosmologie gebaseerd op de Koran en de handelingen van de profeet. Al-Azm: „Zo kom je vanzelf uit bij een precopernicaanse kosmologie, waarin de aarde plat is en de zon om de aarde draait. Bin Baz noemde alle moslims die geloven dat de aarde rond is en om de zon draait afvalligen. Met zijn betoog is door mindere goden de draak gestoken, maar het is nooit tegengesproken door moslimintellectuelen van naam.”

Al-Azm onderschrijft de sombere voorstelling van zaken in de Nature-special van vandaag. „De situatie is nu erger dan in de jaren zestig. Toen werd er nog gediscussieerd. Je kon je baan kwijtraken of ter verzoening van hardliners een paar dagen in de cel zitten, maar je werd nooit met de dood bedreigd. Als islamisten nu in positieve zin praten over wetenschap, bedoelen ze producten van de technologische bazaar. Die achten ze bruikbaar voor de islam. Of ze positief staan tegenover de geesteshouding die vereist is om zulke dingen te maken, is zeer de vraag. De Talibaan gebruikten Stinger-raketten en communicatieapparatuur van de Amerikanen in hun strijd tegen het Sovjet-leger, maar toen ze eenmaal aan de macht waren, sloten ze scholen. Uiteindelijk zullen alle islamisten, als ze aan de macht komen, vervallen in een vorm van talibanisme.”

Niet-Arabische moslimlanden doen het volgens het Nature-survey op wetenschappelijk gebied beter dan de Arabische. Al-Azm noemt drie culturele factoren: „In de Arabische cultuur bestaat een Bedoeïenenethos. Bedoeïenen zijn nomadische veehouders. In hun poëzie en waardesysteem staat productie niet hoog aangeschreven. Andere mensen hechten aan wetenschap, omdat ze waarde hechten aan productie. Zij doen dat niet. Zij nemen wat voorhanden is, plukken de vruchten.

„Islamieten hechten grote waarde aan Het Boek. Dit heeft historische wortels. Toen de profeet predikte, zag hij dat joden en christenen om hem heen ruzieden over verschillende versies van hun boek: Drievuldigheid, evangeliën van Johannes, Thomas. Hij dacht: ‘Dat zal ons niet overkomen. Wij Arabieren hebben één boek, één God.’ Dat werkte, maar nu werkt het tegen ons. Het leidt tot letterlijk nemen, conservatisme, fetisjisme.

„De Arabische cultuur is vanouds oraal. De Koran is op zijn mooist als je de tekst hoort, zeker als hij wordt voorgedragen met een goede stem. Het is als een drug die naar je hoofd stijgt. Die geestestoestand bevordert geen analytisch, kritisch bewustzijn. Arabieren zijn van alle moslims het meest gevoelig voor retoriek, veel meer dan Turken en Perzen. Er was een tijd dat die Arabische retoriek goed werkte, als je de ruiterij moest toespreken voor een charge. Maar die tijd is voorbij.”