Klimaat werd warmer, maar zon bleef constant

De wisselende invloed van de zon op het klimaat staat ter discussie. Nederlandse wetenschappers achten die invloed onwaarschijnlijk, schrijven ze vandaag aan de regering.

Veranderingen op de zon zijn zeer waarschijnlijk niet de oorzaak van de opwarming die de wereld de laatste dertig jaar onderging. Er is wat variatie door het komen en gaan van zonnevlekken, maar verder is de kracht van de zon de laatste decennia juist heel constant gebleven. Voor de opwarming moeten daarom ‘andere factoren’ verantwoordelijk zijn.

Dit is de voornaamste conclusie uit een rapport dat vanmiddag is aangeboden aan staatssecretaris Van Geel van VROM (milieu). Het betekent dat het steeds aannemelijker wordt dat de huidige opwarming inderdaad het gevolg is van de uitstoot en ophoping van broeikasgassen. Formeel houdt het rapport overigens ook andere mogelijkheden open.

De ‘Scientific Assessment of Solar Induced Climate Change’ is voor een VROM-programma opgesteld door een groep Nederlandse experts onder leiding van KNMI-meteoroloog Rob van Dorland. Op 14 september concludeerde het tijdschrift Nature ook al dat er geen doorslaggevende zonne-invloed is op klimaatverandering. De literatuurstudie voor VROM versterkt het fundament onder deze conclusie.

Het vermoeden dat de zon van invloed is op wisselingen in weer en klimaat is gebaseerd op de waarneming dat een aantal klimaatparameters ruwweg schommelt in een tempo van 11 jaar, de periode waarin ook de aantallen zonnevlekken toe- en afnemen. Bovendien zijn in de opvallende koudeperiode rond 1700 die de Kleine IJstijd wordt genoemd nauwelijks of geen zonnevlekken waargenomen. In de loop van de twintigste eeuw ontstond uit metingen ook werkelijk de indruk dat de lichtkracht van de zon flink varieerde. Sinds 1978 kan dit vanaf satellieten nauwkeurig worden gemeten. Nu blijken de variaties binnen de cyclus van 11 jaar maar heel bescheiden en is sinds 1978 geen enkele trend zichtbaar. Zelfs de verandering in activiteit in de loop van de eeuwen is zo klein dat het effect moeilijk is te scheiden van natuurlijke, spontane veranderingen in het aardse klimaatsysteem. Toch gaat het rapport ervan uit dat de totale opwarming sinds 1700 voor een deel te danken is aan toegenomen zonneactiviteit.

Voor het Nederlandse debat is het interessantst dat ook de emeritus-hoogleraar astrofysica Kees de Jager, een van de auteurs van het rapport, de conclusies in brede zin onderschrijft. Want vooral De Jager hield steeds nadrukkelijk rekening met de mogelijkheid dat veel klimaatverandering aan zonne-invloed is toe te schrijven. Er zijn sterke aanwijzingen dat de zon in de afgelopen 10.000 jaar nog nooit zo actief is geweest als de laatste halve eeuw. Het in verband daarmee wisselende aanbod van ultraviolette straling van de zon zou het ozon en de temperatuur van de stratosfeer kunnen beïnvloeden. Snelle deeltjes uit de zon (elektronen, protronen) bepalen de aardse gevoeligheid voor kosmische straling, die weer een rol zou kunnen spelen in wolkvorming. De Jager ziet nu voor het ultraviolet geen grote rol meer, maar houdt nog steeds theoretisch rekening met de gevolgen van de zonne-invloed op kosmische straling. Het rapport zelf is daarover zeer kritisch.