Innovatie strandt in vallei des doods

Nederland moet meer innoveren. Maar investeerders durven hun geld niet in startende bedrijven te stoppen. En sinds het spatten van de internetzeepbel, in 2000, is het risicomijdend gedrag alleen maar groter geworden.

Nonox uit Hoensbroek ontwikkelde een motor die op aardgas loopt. De motor is net zo krachtig als een dieselmotor, maar veel zuiniger in energieverbruik. Foto Chris Keulen Nederland, Hoensbroek, 13/4/05 Staatssecretaris Pieter van Geel (VROM) laat zich bij Nonox BV informeren over een motor die op aardgas loopt. Door een nieuwe mechatronische klep wordt de motor niet alleen zuinig, maar ook net zo krachtig als de huidige dieselmotoren. Daarnaast is de motor zeer milieuvriendelijk: minimaal 25 procent minder CO2-uitstoot en geen roetdeeltjes of fijnstof meer. De motor voldoet aan de zeer strenge milieunorm van 2008. Thailand en China tonen veel interesse in de motor. foto: Chris Keulen Keulen, Chris

Hij heet de ozonizer. Het apparaat steriliseert tandartsapparatuur met behulp van ozon en is gloednieuw. De maker zegt er goud mee in handen te hebben, een markt van honderden miljoenen euro’s gloort. Er is alleen één probleem. „We hebben zelf niet de armslag om het op de markt te brengen”, zegt directeur Raoul Voeten van Bradford Engineering, een hightech bedrijfje uit Heerle, vlakbij Roosendaal. Voeten zoekt daarom een investeerder die er zo’n twee miljoen euro aan wil wagen. „Maar dat soort geld is in Nederland amper voor handen”, zegt hij. „Hoe krijg je dan in godsnaam innovaties van de grond?”

In Nederland ging de alarmbel een paar jaar geleden af. Topman Gerard Kleisterlee van elektronicabedrijf Philips zwengelde de discussie aan. Nederland innoveerde niet genoeg. Het land zakte op een aantal maatgevende internationale ranglijsten. Als Nederland niks zou doen, dan zouden grote bedrijven als Philips en Unilever hun onderzoeksafdelingen vanzelf gaan verplaatsen naar het buitenland. De overheid veerde op en nam tal van initiatieven, bijvoorbeeld om wetenschappers en ondernemers dichter bij elkaar te brengen. Maar is het genoeg?

Niet volgens Clemens van Blitterswijk, hoogleraar aan het Biomedisch Technologisch Instituut van de Universiteit Twente. Het ontbreken van risicokapitaal was een groot probleem, en is dat nog steeds. Van Blitterswijk heeft zelf een aantal biomedische bedrijven opgericht en gerund. Kleine bedragen tot 250.000 euro zijn nog wel te vinden, zegt Van Blitterswijk. Maar als een bedrijf in Nederland een grotere stap wil maken en enkele miljoenen euro’s zoekt, haken investeerders af. „Dat traject wordt niet voor niets The Valley of Death genoemd.”

Mijden van risico’s. Nederland deed het al, maar sinds 2000 is het veel erger geworden, schreef het Amsterdamse onderzoeksbureau Tornado Insider vorig jaar. In geen enkel ander Europees land is het investeringsklimaat voor startende technologiebedrijfjes sinds de eeuwwisseling zo veel verslechterd. De oorzaak, aldus het rapport, ligt bij het uiteenspatten van de internetzeepbel. Daarna zijn investeerders in Nederland, meer dan in andere landen, risico’s gaan mijden. Juist voor innovatieve technologiebedrijven is dat funest, omdat het succes van hun vaak radicaal nieuwe producten zo onzeker is – maar als ze slagen dan scoren ze ook goed, denk aan Tomtom, de fabrikant van navigatieapparatuur.

Het ministerie van Economische Zaken probeert iets aan dit probleem te doen. Sinds vorig jaar kunnen geldschieters een deel van hun investering in een hightech bedrijfje aanvullen met een lening van de staat, tot maximaal 50 procent van het totale bedrag. Jaarlijks stelt het ministerie hiervoor 24 miljoen euro beschikbaar. Maar hoogleraar Van Blitterswijk vindt dat veel te weinig.

Volgens René Reijtenbagh van Ontwikkelingsmaatschappij Oost-Nederland hangt er genoeg geld boven de markt. Hij schat dat informele investeerders – niet de banken en grote fondsen, maar (oud-)ondernemers die geld in andere bedrijven willen steken – samen misschien wel 5 miljard euro beschikbaar hebben. Maar het probleem is dat ze niet overtuigd worden door ondernemers om het geld in hen te investeren. Dat heeft volgens Reijtenbagh met tal van factoren te maken. De ondernemer weet zijn product niet goed genoeg te verkopen. Of hij kiest het verkeerde moment om op zoek te gaan naar een investering. „Het moet allemaal kloppen, wil een investeerder toehappen”, zegt Reijtenbagh. Het kan ook zijn dat het niet klikt tussen de ondernemer en de investeerder. „Er komt veel psychologie bij kijken.”

Bij Bradford Engineering kan directeur Raoel Voeten alleen maar hopen dat zich snel een geldschieter aandient die in zijn nieuwe apparaat, de ozonizer, durft te investeren. Pas als dat apparaat op de markt is wil Voeten zich zetten aan andere ideeën binnen zijn bedrijf. „Er liggen hier zoveel dingen op de plank. Maar daar hebben we nu het geld niet voor. De frustratie spuit ons uit de oren.”