Hersenstam anders bij wiegendood

Aan wiegendood gestorven baby’s hebben in de hersenstam te veel cellen die serotonine afgeven. Daardoor worden ademhaling, bloeddruk en lichaamstemperatuur mogelijk niet goed geregeld bij stress.

Dat zagen Amerikaanse artsen bij sectie op 31 zuigelingen die aan wiegendood gestorven waren, na vergelijking met 10 andere overleden baby’s. De resultaten zijn gisteren gepubliceerd in het medische tijdschrift Journal of the American Medical Association.

Het is een nieuwe aanwijzing dat het ‘serotonine-systeem’ van de hersenstam verstoord is, of in ieder geval kan zijn, bij kinderen die door wiegendood sterven. De afgelopen jaren was al duidelijk geworden dat de hersenstam een rol speelt: er zijn ook gestorven baby’s bij wie celgroepen in dat gebied te klein of zelfs afwezig zijn.

Dit soort hersenafwijkingen maken een kind gevoelig voor wiegendood. Er wordt door wetenschappers naar gezocht om te begrijpen waarom slechts sommige baby’s doodgaan wanneer ze bijvoorbeeld op de buik slapen, en de meesten niet. Buikslapen is wel een belangrijke stressfactor, naast onder meer bij ouders in bed slapen, rokende ouders of warmte. Bij wiegendood is er per definitie geen lichamelijke afwijking die verkláárt waarom de zuigeling stierf.

De Amerikanen vonden dat de baby’s die aan wiegendood gestorven waren, gemiddeld twee keer zoveel serotonine-zenuwcellen dan normaal hebben in het verlengde merg, de overgang tussen het ruggenmerg en de hersenstam. Deze cellen sturen, via de signaalstof serotonine, functies als ademhaling en bloeddruk. Deze onderzoekers en anderen vonden eerder al genetische en moleculaire afwijkingen. Hoe méér cellen tot een slechtere functie kunnen leiden, is nog een raadsel.

De gevonden afwijkingen zijn niet de enige oorzaak van de wiegendood van de onderzochte kinderen: 28 van de 31 baby’s stonden ook bloot aan risico’s zoals buikslapen.

Wiegendood komt overigens steeds minder voor sinds bleek dat buikslapen gevaarlijk is. Het aantal baby’s met wiegendood daalde in Nederland van 218 in 1984 naar 19 vorig jaar.