Groot Indonesiëkenner

‘Theaterstaat’, ‘involutie’. Zomaar twee begrippen die de antropologie te danken heeft aan Indonesiëkenner Clifford Geertz.

Clifford Geertz, de Amerikaanse antropoloog die deze week op tachtigjarige leeftijd overleed, werd ook gelezen door niet-collega’s. Hij had een fraaie pen en was wars van vakjargon. Neem deze zinnen uit zijn boek Islam observed (1968): ,,Soekarno leefde volgens de oude Javaanse doctrine dat het welzijn van een land voortkomt uit de uitnemendheid van zijn hoofdstad, de uitnemendheid van de hoofdstad uit de luister van de elite, en de luister van de elite uit de spiritualiteit van de vorst. Het paleisleven was deel van de theaterstaat.’’

Geertz studeerde samen met zijn vrouw aan Harvard en in 1952 vertrokken ze samen voor veldwerk naar Indonesië. Zij boog zich over verwantschapssystemen, hij over religie. Dat onderzoek mondde uit in vier standaardwerken. Het eerste was The Religion of Java (1960), nog steeds een veel geciteerd boek. Die houdbaarheid ontleent het aan Geertz’ onderscheiding van drie typen Javaanse moslims: abangan (‘roden’), wier religie een mengeling is van islam, traditionele natuurmystiek en hindoe-boeddhistische voorstellingen; santri, leerlingen van religieuze internaten, die veel waarde hechten aan de islamitische doctrine; en priyayi, leden van de ambtsadel, die neerzagen op het ‘bijgeloof’ van de abangan, maar wier geloofsbeleving was doordrenkt van hindoeïsme. Dat onderscheid wierp licht op de grote verschillen tussen de Indonesische en de Midden-Oosterse islam.

Even beroemd, maar intussen achterhaald, was Geertz’ reconstructie van de ontwikkeling van de Javaanse rijstbouw. Hij zag een steeds intensiever bebouwing van te weinig land door te weinig mensen en noemde dit ‘involutie’. Geertz was ervan overtuigd dat Java’s voedselproductie niet meer kon groeien, maar hij had ongelijk. Tussen 1969 en 1992 is de rijstproductie op Java verdubbeld.