Dure broden

Riolering is er niet, en een paar stoelen voor het dorpshuis zouden ze graag willen, maar hiep-hiep de kapel wordt gerestaureerd. Misschien dat de laatste jaren nog drie oude vrouwtjes, besnord en gebogen, de tocht waagden naar de afgelegen kapel om er een kaarsje op te steken, maar Maria is eeuwig en Maria wijst de weg, moet de familie hebben gedacht. De oude waarden zullen niet met ons sterven.

Ik ben benieuwd of er na de restauratie nog een plaatsje voor Sint Sebastiaan zal overschieten. Hij staat nu al erg achteraf, overvleugeld door een gipsen Maria. Sebastiaan is van hout en op een keer hebben kinderen satéstokjes met aangeplakte kippenveren in zijn wondholtes gestoken, zodat hij opnieuw met pijlen doorstoken leek. De oude vrouwtjes konden de grap niet waarderen. Ze houden van hun Sebastiaan, al houden ze openlijk meer van Maria.

Het kapelletje staat er zo verlaten bij omdat het oude Vila Pouca zich daar ooit bevond. Op de aardbeving van Lissabon, in de achttiende eeuw, volgde een reusachtige springvloed. Tot in Groningen en Friesland schijnt het waterpeil te zijn gestegen. Vila Pouca werd door de springvloed, nu tsunami geheten, half weggeslagen en men achtte het raadzaam de dorpskern naar een hoger gelegen plek te verplaatsen. Het kapelletje bleef staan en werd uitgeroepen tot aandenken aan het feit dat het was blijven staan. Rampen verdwijnen, maar wonderen blijven.

Eens per jaar heeft er een heuse bedevaart plaats naar het wonderdoende pijnboombos. Dan trekt de hele bevolking er op uit, de dorpsoudsten met het Mariabeeld en de pastoor onder zijn baldakijn voorop, gevolgd door een dozijn vrouwen met broodmanden op hun hoofd, waarna de huis-, tuin- en keukenstervelingen. De stoet loopt een paar maal rond de kapel en vervolgens worden de broden op een vrachtwagen gelegd om één voor één door de pastoor, staande in de laadbak, voor het goede doel te worden geveild. Ten slotte halen de vrouwen de mandflessen met wijn te voorschijn en de plastic builtjes met eetbare zaden en pitten, in de laadbak van een andere vrachtwagen wordt een bar geopend voor de bierdrinkers, en het feest kan beginnen. De sterkste jongens van het dorp zijn de hele voorafgaande nacht bezig geweest ijsblokken uit de bergen te halen. Iedereen in het pijnboombos, thans eucalyptusbos, wordt die dag verschrikkelijk dronken.

De rest van het jaar is de kapel weer het domein van de drie heksen.

De broden hebben extra veel opgebracht. Het goede doel, anders altijd de pastoor zelf, moest dit keer wel de restauratie van de kapel zijn. Elke verloting, elke collecte, elke veiling staat al een tijd in het teken van de tienduizend euro die door de dorpelingen moet worden bijeengeschraapt. Tien, vijftien, wie biedt er meer dan vijftien? riep de zwarte pastoor. Vijftien was altijd de magische grens, zelfs voor een onderaannemer of emigrant die stoer wilde doen. Dit jaar viel Gonzalo, de taxichauffeur die door de komst van het Grote Hotel een man van aanzien is geworden, in slaap tussen twee broden die hem elk honderd euro hadden gekost.