Duisternis

„Op een kille avond in Parijs in oktober 1985 werd ik me er voor het eerst volledig van bewust dat de strijd tegen de chaos in mijn geest – een strijd die me al maanden bezighield – wel eens fataal zou kunnen aflopen.”

Zo begint Darkness visible: a memoir of madness van de Amerikaanse schrijver William Styron uit 1990. (In de vertaling van Anneke Goddijn-Bok: In de duisternis – herinnering aan de waanzin). Het was het boek in mijn boekenkast waar ik het eerst naar greep toen ik hoorde dat hij gestorven was. Styron is veel bekender geworden om zijn romans, vooral Sophie’s Choice, maar Darkness visible is me het meest bijgebleven.

Het is de indringendste getuigenis over een persoonlijke depressie die ik ooit gelezen heb. Ik vond het destijds zó goed dat ik het cadeau gaf aan iemand die zelf met depressies worstelde. Zo’n boek moest toch herkenning en daarmee troost bieden, temeer omdat het ‘goed’ afloopt? Schreef Styron niet zelf: „Het overgrote deel van de mensen die een depressie doormaken, zelfs een ernstige, overleeft het en leeft daarna minstens zo gelukkig als hun soortgenoten die dat niet hebben doorgemaakt”?

Maar ik bleek de kracht van zijn beschrijvingen te hebben onderschat; ze kunnen ook te veel loswoelen bij mensen die dezelfde lijdensweg hebben moeten afleggen. Mijn cadeau werd na twintig pagina’s opzijgelegd.

Styron vertelt in zijn boek dat zijn depressies begonnen toen hij, inmiddels een jaar of zestig, besloten had met drinken op te houden. Veertig jaar lang had hij dagelijks te veel gedronken: „Alcohol was een waardevolle oudere partner van mijn intellect.”

Toen hij niet meer dronk, kreeg hij concentratiestoornissen en angstaanvallen. Het schrijven lukte niet meer. Hij was verbijsterd. Hij was een succesvol schrijver, gelukkig getrouwd – maar toch moest hij opeens door deze, op het eerste gezicht, onverklaarbare hel.

Pas later beseft hij dat een zekere predispositie ook in zijn geval aanwijsbaar is: zijn vader leed aan depressiviteit en zijn moeder overleed toen hij dertien was – een verlies dat hij nooit helemaal verwerkt had.

Zijn herstel blijft in Darkness visible enigszins in vaagheid gehuld. Hij belandt uiteindelijk in een psychiatrisch ziekenhuis en pas daar voelt hij zich in de loop van zeven weken geleidelijk opknappen. De therapieën vindt hij belachelijk, maar „voor mij waren de echte genezende factoren afzondering en tijd”. Over medicijnen, vooral het kalmeringsmiddel Halcion, is hij kritisch, ze hebben hem niet kunnen helpen.

Styron gold niet als een autobiografische schrijver – dat maakte Darkness visible des te opvallender. Voor schrijvers die hun materiaal al te opzichtig uit hun directe omgeving putten, had hij weinig waardering. Toen Truman Capote zijn vriendenkring in de high society schaamteloos beschreef in Answered Prayers, zei Styron: „Schrijvers hoeven hun vriendschappen niet te vernietigen om te schrijven.” Doen ze dat wel, dan kunnen ze een vorm van wraak verwachten. „En die kreeg hij.”

Drank en depressies zouden Capote daarna het trieste levenseinde bezorgen, waarvoor Styron zichzelf nog net kon behoeden. Misschien was de vermijding van de dood „een verlate hommage aan mijn moeder”, schrijft hij. „Ik weet dat ze in de uren voor ik mezelf redde (...) vaak in mijn gedachten was.”