De Hongaarse opstand in perspectief

Overmorgen is het vijftig jaar geleden dat de Hongaarse opstand door het Russische leger werd neergeslagen. Velen herinneren zich nog levendig die opwindende tijd, die eindigde in teleurstelling en neerslachtigheid. Maar was dit drama een novum? Toonde die opstand de eerste barsten in Stalins imperium, zoals een paginabrede kop in de Volkskrant van 21 oktober beweerde?

Met alle respect voor de Hongaren: dit is niet juist. De eerste barst, en geen geringe, ontstond toen, in 1948, Tito’s Joegoslavië, nog bij Stalins leven, uit het sovjetblok werd gestoten. En drie maanden na Stalins dood, in juni 1953, kwamen de arbeiders in Oost-Berlijn en andere Oost-Duitse steden in opstand.

Dat deden in juni 1956 de arbeiders in het Poolse Poznan ook. Maar die opstand werd, evenals die in Oost-Berlijn, gemakkelijk gesmoord. Maar toen voltrok zich in de herfst van dat jaar een machtswisseling in Warschau, waar de ‘stalinisten’ plaats moesten maken voor Wladyslaw Gomulka, een communist die door hen eerder kaltgestellt was geweest. Dat gebeurde tegen de zin van de Russen, maar die grepen per slot van rekening niet in.

Dit gebeurde allemaal voordat de Hongaren in opstand kwamen. Wel werd het Poolse voorbeeld in Hongarije, waar het al gistte, nagevolgd. In Boedapest begon de opstand met een manifestatie voor het standbeeld van een Poolse generaal die zich in 1848 bij de Hongaarse opstand tegen het Oostenrijkse bewind had aangesloten. Die manifestatie, gevolgd door de echte opstand, was bedoeld als teken van solidariteit met de Poolse omwenteling.

Deze omwentelingen in het najaar van 1956 kunnen echter niet los worden gezien van wat er in maart van dat jaar in Moskou was gebeurd. Daar had Nikita Chroesjtsjov zijn befaamde rede voor het 20ste congres van de communistische partij gehouden. In die rede had hij Stalin van zijn voetstuk gestoten door zijn misdaden te onthullen. Het onbedoelde effect was dat communisten in Polen en Hongarije gingen denken dat zij nu vrij waren hun aan de nationale omstandigheden aangepaste gang te gaan.

Het kenmerkende van die Poolse en Hongaarse opstanden was dat het in de eerste plaats opstanden binnen de communistische partij waren. Dat zou twaalf jaar later met de ‘Praagse lente’ van 1968 weer zo zijn. In feite was dat ook het geval geweest met Chroesjtsjovs aanval op het idool Stalin. De grote massa van de Poolse en Hongaarse bevolking was te murw geslagen door tien jaar van stalinistisch schrikbewind (dat overigens in Hongarije erger was geweest dan in Polen) om in opstand te komen. Pas nadat de omwenteling zich binnen de partij had voltrokken, sloot de bevolking zich daarbij aan.

In Polen wist Gomulka de zaak nog in de hand te houden. Zo voorkwam hij een gewapende interventie van de Russen door hun te verzekeren dat Polen het Warschaupact niet zou verlaten. In Hongarije echter groeide de ontwikkeling Imre Nagy, die de plaats van de Hongaarse Stalin, Mátyás Rákosi, had ingenomen, boven het hoofd. Hij kondigde een veelpartijendemocratie af en zegde Hongarijes lidmaatschap van het Warschaupact op. Dit dwong de Russen, als ’t ware, tot ingrijpen, wilden zij niet hun hele strategische positie in Europa verloren zien gaan.

De les die ik indertijd uit die gebeurtenissen trok was deze: uitgaande van het feit dat oorlog uitgesloten was als middel om veranderingen in het Oostblok te bewerkstelligen – dat had president Eisenhower (ex-generaal) met Amerika’s passiviteit tijdens de Hongaarse opstand en met zijn woede over de gelijktijdige Frans-Britse operatie tegen Egypte afdoende bewezen – zou het Westen zich voortaan moeten concentreren op contacten met de (communistische) macht, teneinde dáárin de gewenste veranderingen tot stand te brengen.

De bedoeling van die contacten was, in mijn redenering, niet om zoete broodjes te bakken, maar om binnen die Oost-Europese partijen geleidelijk de ogen te openen voor alternatieven voor de daarin heersende gedachten, daarbij geholpen door het onmiskenbare feit dat hun economische prestaties ver achterbleven bij die van het Westen. Met andere woorden: langzaam en voorzichtig ondermijningswerk.

Voor die tactiek bestond toen in Nederland niet het minste begrip. Ik werd soms voor een verkapte communist uitgemaakt. En die kritiek kwam niet alleen uit rechtse hoek. Ook de PvdA van die dagen was onverzoenlijk jegens al wat communistisch was. Zelfs met de afvallige Tito wilde zij geen contact. Die was weliswaar, na zijn breuk met Moskou, ‘objectief’ bongenoot van het Westen geworden, maar hij bleef communist, en daar praat je niet mee.

Hoe anders zou het enkele jaren later bij de PvdA worden! Toen werd het mode om de regimes in Oost-Europa het hof te maken – maar om heel andere redenen: uit half-antiamerikanisme – de oorlog in Vietnam was heel impopulair – half-neutralisme en half-pacifisme. Tekenend was de uitspraak van een vooraanstaande PvdA’er dat de Muur waarmee de DDR zich van het Westen afgeschermd had, historisch te rechtvaardigen was.

Ten slotte is de ontwikkeling toch zo verlopen: het ene na het andere communistische regime is aan interne verdeeldheid, ideologische twijfelmoedigheid en eigen economisch falen bezweken, een handje geholpen door infiltratie van westerse ideeën. Een van de laatste stootjes gaf Hongarije: in 1989 opende de (toen nog communistische) regering de grenzen met Oostenrijk, zodat tienduizenden Oost-Duitse vluchtelingen, via dat land, naar West-Duitsland konden ontkomen, daarmee het regime in de DDR dodelijk destabiliserend. En toen was er geen houden meer aan – tot en met het einde van (het communisme in) de Sovjet-Unie zelf.

Maar tussen 1956 en dit einde lagen ruim dertig lange jaren, jaren waarin de Sovjet-Unie zelfs nog het toppunt van haar militaire macht en expansie zou bereiken, hoewel intern al door een rottingsproces aangetast. Waaruit de conclusie kan worden getrokken dat historische processen geen rechte lijn vertonen en daardoor meestal langer duren dan de tijdgenoot hoopt of verwacht.