Winsemius: investeren in arme wijken

Nederland telt 140 wijken met een opeenstapeling van achterstanden en problemen. Daarvan bevinden zich 40 wijken in de gevarenzone. Actieve rijksbemoeienis bij stedelijke vernieuwing is gewenst.

Dat schrijft minister Winsemius (VROM, VVD) vandaag in een brief aan de Tweede Kamer.

Het kabinet overweegt al enige tijd het grotestedenbeleid af te schaffen, dat wil zeggen over te laten aan de grote steden zelf. Onlangs schreef het Ruimtelijk Planbureau dat het grotestedenbeleid in z’n huidige vorm is „uitgewerkt” en dat het beleid het bestaan van hardnekkige problemen niet heeft verminderd, „zoals de hoge uitkeringsafhankelijkheid onder bepaalde groepen, de toenemende segregatie in het onderwijs en middeninkomens die uit de stad wegtrekken”.

Minister Winsemius stelt nu dat het rijk juist ambitieuzer moet doorgaan met stedelijke vernieuwing. „In een aantal Nederlandse steden is het gevaar van een toenemende tweedeling prominent aanwezig. De kloof tussen aantrekkelijke en achtergebleven wijken wordt eerder groter dan kleiner. In bepaalde wijken neemt de leefbaarheidsproblematiek zienderogen toe.”

Om te voorkomen dat meer wijken afglijden, aldus Winsemius, is in de toekomst een jaarlijkse investering van 1 tot 1,4 miljard euro nodig voor stedelijke vernieuwing en nieuwbouw. Deze rijksbijdrage zorgt volgens een onderzoek van VROM over een periode van tien jaar voor ruim 160 miljard aan investeringen door andere partijen in de oude stadswijken.

Als het rijk ophoudt met steun voor stedelijke vernieuwing en nieuwbouw, zal zich tot 2020 een „aanzienlijke toename” voordoen van het aantal zogenoemde aandachtswijken. Als een volgend kabinet daarentegen kiest voor méér ambitie, met de bouw van 40.000 tot 47.000 woningen per jaar binnen bestaand gebied in plaats van de bouw van 28.000 woningen bij huidig beleid, is een „stevige reductie” van het aantal probleemwijken „haalbaar”, aldus de brief.

Krachtig beleid is niet alleen nodig om de leefbaarheid te vergroten en een sociale tweedeling te voorkomen, aldus de minister, maar ook om „krachtige steden” te ontwikkelen die dienen als „economische motor” van Nederland.