Tot het einde toe kwaad

De gisteren gestorven oud-president van Zuid-Afrika Pieter Botha zag zichzelf als de hoeder van de blanke natie.

Het verraad van zijn eigen partij zou Pieter Willem Botha nooit meer te boven komen. Een interne coup maakte in 1989 een einde aan zijn decenniumlange bestuur over Zuid-Afrika. Dat was het begin van het einde van de blanke dominantie. Van de apartheid. Zuid-Afrika’s voorlaatste blanke president bleef tot het einde kwaad over dit verraad. Hij weigerde vanaf dat moment ieder contact met partijgenoten, rivalen, journalisten. Hij wees de commissie voor waarheid en verzoening van Desmond Tutu de deur. Botha trok zich terug in de West-Kaap, de provincie waar de blanke kolonisatie van Zuid-Afrika ruim drie eeuwen eerder was begonnen. Het toevluchtsoord waar hij gisteren overleed, heet Wildernis.

Die eenzaamheid koos hij heel bewust. Eenzaam in zijn almacht. En eenzaam zonder die macht. Vanaf zijn benoeming in 1978 was Botha ‘Die Groot Krokodil’. Zo noemde men hem. Een vechtjas. ‘Een welwillende dictator’, zoals hij zichzelf in zijn vrolijkste dagen zag. „Maar als ik kwaad ben, ben ik als een bliksemschicht”, zei hij eens. Die boosheid was zijn handelsmerk. Altijd kracht bijgezet door zijn beruchte, opgeheven rechtervingertje.

Hij liet de Grondwet aanpassen zodat hij premier en president tegelijk kon zijn. Dat was in 1984. Toen zorgde Botha er niet alleen voor dat hij boven de wet kwam te staan, en onaantastbaar werd als leider van het blanke volk in zwart Afrika. Botha werd de wet.

Geconfronteerd met groeiende weerstand tegen zijn regime, in het buitenland en op straat, herschreef Botha die wet zo vaak dat Zuid-Afrika onder zijn alleenheerschappij kwam. In de tien jaar onder Botha werden 54.750 mensen gevangengezet, zonder proces. In de tien jaar onder Botha werden meer dan duizend verdachten van criminaliteit of politieke misdaad geëxecuteerd. In die tien jaar werden nog eens 2.000 Zuid-Afrikanen op straat gedood door zijn veiligheidstroepen.

In de tien jaar onder Botha verving het leger uiteindelijk de politie als handhaver van de wet. Terwijl de protesten in de zwarte townships zich over heel het land verspreidden, kondigde Botha in 1985 de noodtoestand af die pas zou eindigen maanden nadat hij van het toneel verdwenen was, op 2 februari 1990. Op die dag kondigde Botha’s opvolger F.W. de Klerk de vrijlating van Nelson Mandela aan.

P.W. Botha was de regisseur van dit drama. Hij alleen zat op de stoel en wie daaraan durfde te twijfelen, kreeg een donderpreek.

Halfslachtig hervormer met stijl van despoot

Zoals in 1986, toen de progressieve minister van Buitenlandse Zaken Pik Botha (geen familie) op tournee door Europa had gesuggereerd dat Mandela spoedig zou worden vrijgelaten. „Nooit zal ik blanke Zuid-Afrikanen de weg insturen die leidt tot machtsverlies en zelfmoord”, zei Botha toen. „Zonder de blanken aan de macht zal het land in factiestrijd storten, chaos en armoede.”

Het waren deze woorden waarmee Botha zich de woede op de hals haalde van Thatcher, Reagan en de rest van de wereld. Hun was een „Rubicon-toespraak” beloofd, een knieval, een erkenning van het failliet van apartheid. In de toespraak vroeg Botha de Zuid-Afrikanen wel net als Caesar de Rubicon-rivier over te steken, om belangrijke grondwettelijke veranderingen mogelijk te maken. Maar die woorden verzopen in al zijn boze retoriek. De Klerk noemde de toespraak later „de grootste communicatieramp uit de Zuid-Afrikaanse geschiedenis”.

Hierin ligt de tragiek van P.W. Botha. Hij had de geschiedenis kunnen ingaan als de grootste hervormer in de Zuid-Afrikaanse politiek sinds de dag dat Jan van Riebeeck hier in 1652 voet aan wal zette. Maar hij was een halfslachtige hervormer met het imago en de stijl van een despoot. „Terwijl Botha voor velen het symbool van apartheid zal zijn, herdenken we hem ook voor de stappen die hij nam voor een vreedzame overgang in ons land”, zei Nelson Mandela vanochtend.

In het in 1989 gepubliceerde PW Botha, The last betrayal stelt Eschel Roodie de vraag waarom „het westen hem niet net zo behandelde als Gorbatsjov, wiens hervormingen ook niet waren bedoeld om de almacht van de Communistische Partij te breken, maar voor een meer open en economisch succesvol Sovjet-systeem. Gorbatsjovs hervormingen werden met applaus ontvangen door de pers, westerse bankiers en zakenlui. Maar hoe meer racistische wetgeving Botha schrapte, hoe meer hij probeerde te hervormen, hoe meer bommen van het ANC er ontploften en hoe meer sancties het westen instelde.”

In de geschiedenisboeken zou De Klerk de Gorbatsjov van Zuid-Afrika worden. De Klerk liet Mandela vrij. De Klerk schafte de apartheid af. De Klerk kreeg in 1993 – samen met Mandela – de Nobelprijs voor de Vrede. De Klerk beheerste de regels van het spel tussen politiek en media. Botha had geen idee. Maar het was de stijve Botha die het grondwerk verrichtte voor het succes van De Klerk. Vanaf zijn aantreden in 1978 was zijn boodschap dat apartheid uit de mode was. „Aanpassen of doodgaan”, was zijn slogan.

In de tien jaar die volgden legaliseerde Botha het huwelijk tussen verschillende rassen. Hij hief het verbod op multiraciale partijen op. Hij liet kleurlingen en Indiërs toe tot het parlement, ook al bleef hij faliekant tegen stemrecht voor zwarten. Hij startte in het geheim onderhandelingen met het ANC. Botha bood Mandela diverse malen vrijheid aan, al was dat onder de voor Mandela onacceptabele voorwaarde dat die de strijd tegen het regime zou opgeven. Botha’s pogingen tot verandering stuitten op dezelfde reactie: too little too late. Zoals het boegbeeld van de anti-apartheidsstrijd Desmond Tutu zou zeggen: „Je poetst ook geen make-up op het gezicht van Frankenstein.”

Botha hervormde niet omdat hij zich het lot van zwarte Zuid-Afrikanen aantrok. Hij zei het als een regte Afrikaner, die zich moet aanpassen aan zijn leefomgeving om te overleven. Botha zag zichzelf als hoeder van het voortbestaan van de blanke natie. Terwijl hij propageerde dat de tijd rijp was voor hervormingen, verhoogde hij het defensiebudget voor zijn ‘total strategy’. Botha stuurde soldaten naar de buurlanden waar regeringen aan de macht waren die door Moskou of Peking werden gesteund.

Botha versnelde zo het bankroet van zijn land. Hij verloor de controle over de economie, die door dalende goudprijzen niet in staat bleek tegen groeiende internationale sancties op te boksen. De stenengooiers in de townships wonnen, in het tijdperk van bevrijding in Oost-Europa. Botha verloor de steun van de VS, die hem hielpen in zijn oorlog tegen communisme en het ‘terrorisme’ van Mandela’s ANC. Zonder de Koude Oorlog was het minderheidsregime dat Botha voorstond onverdedigbaar ouderwets geworden.

Botha verloor uiteindelijk ook de steun van zijn partij. Dat deed het meeste pijn. Politiek, schrijft Eschel Roodie, was zijn enige manier van leven. Botha had nooit een andere baan dan die van politicus: parlementslid, minister, premier, president. Die carrière werd hem afgenomen toen hij begin 1989 een hartaanval kreeg. Hij legde zijn functie als partijleider neer, maar rekende op de beloften van partijgenoten dat hij kon aanblijven als president van het land. Vanaf zijn ziekbed moest Botha echter toezien hoe de partij de nieuwe partijleider De Klerk naar voren schoof als staatshoofd.

Botha heeft nooit spijt betoond. Volgens het rapport van de waarheidscommissie was Botha verantwoordelijk voor „het klimaat waarin grove mensenrechtenschendingen plaatsvonden”. In 1998 werd Botha bij verstek veroordeeld wegens zijn weigering om voor de commissie te verschijnen. „Ik doe iedere nacht het licht uit en slaap binnen een paar minuten”, zei hij. „Schuldbewustzijn neem ik niet mee naar bed.”