Regulier onderwijs is juist goed voor gehandicapt kind

Ronald Lamping vindt dat gehandicapte kinderen niet op een reguliere school horen.

Dat scholen daar de mankracht en expertise niet voor hebben zijn smoesjes.

In het opiniestuk hiernaast gaat Ronald Lamping ontzettend tekeer tegen de zorgplicht die minister Van der Hoeven (Onderwijs, CDA) vanaf 2010 wil opleggen aan scholen. Die zorgplicht houdt in dat scholen geen leerlingen met een handicap mogen weigeren.

Lamping noemt dit wanbeleid. Leerkrachten krijgen volgens hem al veel te veel op hun bordje en hebben daarom geen tijd en energie meer om ook nog leerlingen met een handicap op te vangen. Bovendien zijn zij daarin niet gespecialiseerd, stelt hij.

Veel leerkrachten en onderwijskundigen komen tegenwoordig met dergelijke argumenten om leerlingen met een handicap te kunnen blijven weigeren op reguliere scholen. Dit is onterecht, discriminerend en in ieder geval niet in het belang van het kind.

Ik ben spastisch, zit in een rolstoel, kan mijn handen niet gebruiken en heb een spraakhandicap. Daarom heb ik van de basisschool tot en met het einde van de mavo speciaal onderwijs genoten. Dat heeft niet in mijn voordeel gewerkt.

Op school heeft nooit iemand gesproken over mijn toekomst. Eenmaal klaar met school, wist ik amper hoe de ‘gewone wereld’ eruit zag. Enkel mijn eigenwijsheid en doorzettingsvermogen hebben er voor gezorgd dat ik geworden ben wie ik nu ben: een hoogopgeleide vrouw met een handicap die – figuurlijk – midden in de maatschappij staat.

Ik kan mij daarom goed voorstellen dat jongeren die van het speciaal onderwijs afkomen zich geen houding weten te geven in een samenleving waar niet altijd rekening met hen wordt gehouden en waar ze zichzelf waar moeten maken. Veel gehandicapten gaan in beschermde woonvormen wonen en spenderen hun dag in beschermde werkplaatsen of activiteitencentra.

Zij blijven hun leven lang afgeschermd van de samenleving. En dat is nu juist wat we niet moeten willen. Mensen met een handicap horen thuis in onze samenleving; alles moet er op gericht zijn om dat mogelijk te maken.

Dat begint bij geïntegreerd onderwijs. Als kinderen met een handicap samen met niet-gehandicapte kinderen naar school gaan, leren ze zich staande te houden tussen leeftijdgenoten die meer mogelijkheden hebben dan zijzelf. Evenzogoed leren ze dat zij – ondanks of dankzij hun handicap – anderen iets te bieden hebben. Want het hebben van een handicap wil echt niet zeggen dat je nergens goed in bent. Bovendien kunnen op deze manier vooroordelen bij kinderen zonder handicap worden voorkomen. Spelenderwijs leren ze dat een handicap niet eng of zielig is en dat gehandicapten een volwaardig leven kunnen leiden.

Scholen kunnen het niet maken kinderen die kansen niet te gunnen. Het argument dat leerkrachten tegenwoordig meer moeten doen dan alleen onderwijzen geldt niet. De taak van een leerkracht is altijd al breder geweest dan het geven van onderricht alleen. Wie kinderen zoveel uren per dag onder zijn hoede heeft krijgt automatisch een ‘opvoedende’ taak. Ook het geven van levenslessen - hoort daarbij.

In de Verenigde Staten gaat maar liefst 99 procent van de kinderen met een handicap naar het reguliere onderwijs, terwijl het onderwijssysteem daar ook niet probleemvrij is. In plaats van te blijven roepen dat het onmogelijk is, zouden leerkrachten en onderwijskundigen eens moeten gaan kijken hoe de omgang met gehandicapte kinderen op school daar geregeld is. Het duurt immers nog ruim drie jaar tot de zorgplicht ingaat.

Overigens staan leerkrachten er niet alleen voor. Ieder kind met een handicap krijgt een ‘rugzakje’ mee, ofwel een budget waarmee de school voor gemiddeld 3,5 uur ambulante begeleiding per week kan inhuren. Maar dat mag geen reden zijn om niet zelf een steentje bij te dragen.

Yvette den Brok is publicist en auteur van het boek ‘Validisme en Gender. Over leven met een handicap’.