Militarisme in Nederland

Honderden reacties kwamen er binnen op de website van de Telegraaf, nadat dit dagblad gemeld had dat de filmmaker Vic Franke zich niet had ontzien om, toen de commando-eenheid die hij in Afghanistan voor het maken van een film volgde in een hinderlaag liep, zelf een wapen te pakken en een beetje op de vijand te gaan mee schieten. Enigszins laf, zou ik zeggen, beriep Franke zich op noodweer – een juridisch weinig steekhoudend argument omdat niet hij persoonlijk, maar het onderdeel waarbij hij zich bevond door de vijand onder vuur werd genomen.

Waarschijnlijker lijkt me dat de filmmaker psychologisch niet opgewassen was tegen het geweld en het gevaar, op het moment dat het zich voordeed. Dat is op zich geen schande – je kunt van jezelf niet met zekerheid zeggen hoe je zult reageren in een dergelijke situatie. In de Joegoslavische burgeroorlog heb ik weken samengewerkt met een collega van een andere krant, die nog lange tijd psychologische hulp nodig had bij de verwerking van waarnemingen, die ik meestal vergeten was.

Maar ik kende ook een jonge verslaggever, een Zwitser, die zodanig in de ban raakte van het geweld en de ermee verbonden spanning, dat hij dienst nam in het Kroatische leger en later is gesneuveld. In Sarajevo, tijdens het beleg, had je ook van die types, meestal fotografen: helemaal in de ban van de hen omringende destructie kozen ze voor gedrag dat de zelfdestructie nabij kwam. Steeds gevaarlijker posities namen ze in bij het maken van hun foto’s, en soms werd hun diepste wens door een Servische sluipschutter verhoord.

Het wachten is natuurlijk op de film van Franke, maar ik vrees toch ernstig dat hij behoort tot dit slag, dat geen onderscheid meer weet te maken tussen het geweld dat ze waarnemen, en zichzelf.

Maar afgaande op de website van de de Telegraaf kan de handelwijze van Franke op brede sympathie rekenen: honderden lezers betuigden enthousiaste bijval met de schietende filmmaker en lieten weten het maar onzin te vinden dat er bij Defensie bezwaren bestonden tegen zijn handelwijze. Je vraagt je af hoe die lezers zouden reageren, wanneer morgen een verslaggever die een reportage maakt aan de kant van de Taliban het vuur opent op Nederlandse soldaten, zich beroepend op noodweer.

Franke’s daad is onbeschaafd, volgens elke norm. Het oorlogsrecht bepaalt dat de scheiding tussen militairen en andere combattanten enerzijds, en burgers anderzijds moet worden gerespecteerd, al was het maar omdat anders het gevaar van een algehele, chaotische slachting dreigt. Dat is natuurlijk een van de eigenaardige dingen van oorlog: het is enerzijds een toestand waarin aan combattanten is toegestaan wat in het normale leven niet mag – straffeloos andere mensen doden bijvoorbeeld. Anderzijds is het wel degelijk aan regels onderworpen. Wie dat niet begrijpt moet zich ver van het slagveld houden.

Toch is het interessant dat zoveel website-lezers met Franke solidariteit uitgesproken hebben. Het wijst misschien op een verschuiving van de Nederlandse mentaliteit, in de richting van militarisme. ‘Militarisme’ is een beetje vies woord in Nederland: het wekt associaties met belachelijke taptoes, en snorremansen met rare petjes. Maar zo hoef je het begrip ‘militarisme’ natuurlijk niet op te vatten. Je zou ook kunnen zeggen dat het een ideologie is waarin óf de gedachte geldt dat het leger van zichzelf iets moois en positiefs is, óf dat er met het leger iets moois en positiefs te bereiken valt.

Dat laatste is trouwens precies de filosofie van de Nederlandse militaire aanwezigheid in Afghanistan: met het leger de Afghanen definitief bevrijden van decennia van oorlog, en van onderontwikkeling. Die gedachte blijkt Nederlanders toch aan te spreken – tien, twintig jaar geleden was ik daar nog niet zo zeker van geweest. Het is wel érg te hopen, dat dit ideaal voor de Afghanen goed uitpakt.

Raymond van den Boogaard

woensdag@nrc.nl