It’s not the economy, stupid

Hoe verschrikkelijk is het om ’s morgens voor dag en dauw uit je bed te komen, het nieuws aan te zetten en Wouter Bos via een televisiecamera het woord te zien richten tot een zekere ‘Jan Peter’ met de nederige smeekbede om in de komende verkiezingsdebatten nooit meer te zeggen dat hij een draaikont is?

Dat is tamelijk verschrikkelijk.

Ik kreeg hetzelfde kleverige gênante gevoel als een poosje geleden, toen Eddy Terstall – campagne-cineast van de PvdA – met twee medekunstenaars alle politieke partijen had aangeschreven met het verzoek om te zweren dat elke filmer en elke cabaretier en elke andere artiest in Nederland mocht doen wat hij wilde, zonder met het bange gevoel te hoeven rondlopen dat de christenen in het kabinet zich misschien gekwetst zouden voelen.

Wat waren dat voor softies, die de verbeelding pas aan de macht zouden durven brengen als de dorpsveldwachter eerst had beloofd dat hij niks terug zou doen?

‘Het niveau verlagen’, jammerde Wouter, ‘persoonlijke verdachtmakingen, met modder gooien’.

Had hij dat niet tegen die uit de jaren zeventig daterende partijgenoot moeten zeggen die hem een paar maanden geleden vanwege z’n AOW-voorstellen al totaal kansloos had gemaakt als kandidaat-premier?

Ik weet dat ze bij de Partij van de Arbeid op een rijke traditie kunnen terugvallen als het er om gaat een gunstig kiezersklimaat te laten verzuren, of een glorieuze verkiezingsoverwinning zelfs te laten verkommeren tot Van Agt-Wiegel. Zouden ze in die kringen nooit iets over een spindoctor, of desnoods een handige reclamejongen hebben gelezen?

Vier jaar geleden schijnt Wout nog dat ‘kontje’ te hebben gehad. Daar hoor je ook niks meer over. Wat rest dan nog?

Met modder gooien!

Daar moet je toch tegen kunnen als je een kerel bent? Dan gooi je toch gewoon terug? Dan ga je toch niet soebatten of de tegenstander wil ophouden?

Wouter wel.

Toen aan Balkenende gevraagd werd om te reageren op de ootmoedige hartenkreet van zijn opponent, verscheen op het gelaat van de minister-president een grijnslach, zo verkneukeld, zo vals, zo meedogenloos en met een onheilspellend opbollen van de beide wangzakken - als volgens mij sinds de invoer van de Reformatie in onze vrijzinnige samenleving, nooit eerder is vertoond.

Ik huiverde. De politiek leider van het CDA wist het natuurlijk al eerder, maar nu wist hij het zeker. Hij hoefde bij wijze van spreken niet eens meer zelf te stemmen op 22 november.

‘We kunnen beter samen een biertje gaan drinken’, grijnsde hij nog genereus na over de rivaal die zichzelf onschadelijk had gemaakt.

‘We run this country’, zeiden de christendemocraten toen ze aan het eind van de vorige eeuw in dit land gedurende meer dan zeventig jaar inderdaad de lakens hadden uitgedeeld. Even moesten ze zich gedeisd houden, nu zijn ze triomfantelijk terug. Nog even, dan lijkt niet alleen de hele publieke televisie, maar ook het hele Nederlandse theater, de kleinkunst met de grappenmakers die om een vrijgeleide vroegen, en de hele door Balkenendes penfriend Mulisch aangevoerde literatuur, op één groot, positief Lingospel, en is afgevaardigde Joop Atsma benoemd tot hoofd van de vaderlandse cultuurkamer.

Had Wouter Bos de catastrofe kunnen voorkomen? Waarschijnlijk niet eens. We leven tenslotte in een democratie, en dan moet je altijd op het ergste zijn voorbereid. Hij moet ook maar doorgaan met z’n eerlijke verdeling van kennis en inkomen, met het ontslagrecht, met de aftrek van de hypotheekrente, met welgestelde bejaarden die na hun vijfenzestigste moeten meebetalen voor kansarme bejaarden, met de solidariteit, met de economie kortom.

Maar dat blijft toch het merkwaardige aan die sociaal-democraten. Na Marx en De Internationale in de vertaling van Henriette Roland Holst, hebben ze nauwelijks meer iets nieuws uitgevonden.