Internationale kinderontvoering

Kinderen kunnen bij internationale scheidingen stevig in de knel komen. Een Haags verdrag probeert dit tegen te gaan. Maar het roept zelf vragen op over het belang van het kind.

De komende tien dagen moet Den Haag zijn naam van ‘hoofdstad van het internationale recht’ eer aandoen met de vijfde periodieke conferentie over internationale kinderontvoering. Het Haagse verdrag van deze naam uit 1980 geldt met 76 deelnemende landen als een paradepaardje van de ‘Haagse Conferentie voor internationaal privaatrecht’. Onder deze technisch-juridische aanduiding vallen menselijke drama’s zoals het nu al weer maanden durende verblijf van de door hun vader na een gestrand huwelijk meegenomen kinderen Sara en Anmar op de Nederlandse ambassade in de Syrische hoofdstad Damascus.

„Negen procent van de huwelijken is tegenwoordig bi-cultureel”, zegt Els Prins in het Justitie Magazine van deze maand: „dus ga maar na”. Zij is directeur van het Centrum Internationale Kinderontvoering (CIK), dat deze zomer is opgericht voor praktische hulpverlening. Syrië vormt een illustratie van een handicap van het Haagse verdrag: landen met een islamitische traditie doen niet mee. Er is wel een ‘Malta-overleg’ gestart met landen rond de Middellandse zee. De eerste bijeenkomst in 2004 bracht de Nederlandse rechter F. van der Reijt tot de „pijnlijke constatering dat de situatie tussen Arabische en Europese landen op dit punt fundamenteel in onbalans is”. Er valt wel te praten „maar kom niet aan het principe van de patriarchale macht en respecteer ook de opdracht tot opvoeding van kinderen tot goede moslims”.

Egypte geldt voor Nederland als de meest problematische niet-verdragsstaat. Er is een gemengde commissie ingesteld. Maar Van der Reijt noteerde twee jaar geleden dat men aan Egyptische kant „niet leek te begrijpen waarover men het heeft”. Dat lijkt te vragen om enige politiek aandrang. Toenmalig minister van Justitie Donner liet echter weten „niet van plan te zijn de betrekkingen met Egypte afhankelijk te maken van kinderontvoering”. Hij vond deze kwestie meer een vraag van de Europese Unie. Deze kan ook druk uitoefenen, bijvoorbeeld via de associatieakkoorden met landen aan de zuidelijke Middellandse Zeekust. Dat vond Donner echter ook te ver gaan: „Een ombuiging van opvattingen kan niet worden geforceerd.” Tot zover de veelbezongen normen en waarden.

Het is trouwens de vraag wat men met formele toetreding van de Arabische landen opschiet. Zij kunnen dan namelijk een beroep doen op het strenge grondbeginsel van dit verdrag: teruggeleiding van een meegenomen kind naar het land van verblijf. Anders dan wellicht wordt gedacht is de ontvoerende ouder vaker een moeder dan een vader, meldde Donner eerder dit jaar. Hulpverleners spreken vaak liever van ‘kindermeeneming’ dan van kinderontvoering. De verzorgende ouder, meestal de moeder, gaat vaak argeloos met haar kinderen terug naar ons land als de relatie in het buitenland spaak loopt. Zeker als een huwelijk hier is gesloten. De scheiding elders is lastig en duur. Hier is er de Bijstand – en de familie.

Minister Donner deed kindermeeneming en kinderontvoering echter kortweg af als ‘hetzelfde’. Toch heeft Nederland zich binnen de EU wel degelijk afgezet tegen het automatisme waarmee een ander land de terugkeer van een kind kan gelasten. Het Haags verdrag kent ook bepalingen die het de aangezochte Nederlandse rechter mogelijk maken terugkeer te weigeren. Maar de Hoge Raad zei in januari, in het geval van een Nederlandse moeder die haar kind uit Italië had teruggehaald, dat deze uitzonderingen zeer restrictief moeten worden toegepast.

Hoe zit het dan met het belang van het kind, dat in het Nederlandse recht een grote rol speelt en ook internationaal is erkend? Deskundigen van de Universiteit van Amsterdam signaleerden jaren geleden al een „merkwaardige spanning” tussen dit belang als uitgangspunt van het Haagse verdrag en hetzelfde belang in concrete gevallen. Het is natuurlijk goed dat het Haagse verdrag een eind wil maken aan willekeur en eigenrichting. Maar het blijkt steeds meer discutabel dat dit verdrag „terugkeer stelt boven gehechtheid”, zoals het CIK klaagt.

Zwitserland wil volgens de Leidse hoogleraar M.V. Polak op de Haagse conferentie het belang van het kind in zaken met een verzorgende ouder aan de orde stellen. Hij betwijfelde of daar veel van komt. Zoiets geldt al gauw als zagen aan de poten van het verdrag. Toch valt er wel iets te doen, bijvoorbeeld door nadere richtlijnen te formuleren voor rechters die moeten beslissen over ‘relocatie’ van het kind. En vooral door het bevorderen van bemiddeling. Het minste wat Nederland, ondanks Donner en de Hoge Raad, kan doen is het Zwitserse initiatief volop steunen.

Frank Kuitenbrouwer is medewerker van NRC Handelsblad.

kuitenbrouwer@nrc.nl