Hongarije toneel van bittere loopgravenoorlog

Je moet dezer dagen in Hongarije op je tellen passen. Het land gaat gebukt onder een enorme politieke crisis, maar juist over politiek praten lijkt taboe. „Onder vrienden bespreek je niet voor welke partij je bent”, zegt Z. „Je loopt het risico een ouwe maat kwijt te raken. Dat is het me niet waard.” O. denkt er voor het eerst over om met haar gezin op te breken. Het land is verscheurd. Ze wil weg.

Een paar maanden geleden had ik de namen van mijn kennissen Z. en O. voluit geschreven, maar op hun verzoek hou ik ze anoniem. Zo’n stuk in een Nederlandse krant komt vast ook in de Hongaarse media terecht en daar krijg je maar gelazer van, zeggen ze beiden.

Sinds half september woedt er in Hongarije een loopgravenoorlog die begon met het schandaal rond de socialistische premier Ferenc Gyurcsány. Die kwam half september in diskrediet na het uitlekken van een geheime speech waarin hij toegeeft al jaren „’s ochtends, ’s middags en ’s nachts” te hebben gelogen over de economische situatie in zijn land. „We hebben het verkloot”, aldus Gyurcsány. Het was de opmaat naar weken van protesten die vorige week, bij de vijftigjarige herdenking van de opstand van 1956, uitmondden in een ware veldslag op straat.

Tegenover Gyurcsány staat de conservatieve oppositieleider Viktor Orbán die de premier ten val wil brengen. Orbán, zelf premier van 1998 tot 2002, wil terug aan de macht. Beide kemphanen voeren hun politieke partijen aan als heersers die geen kritiek van binnenuit dulden.

In hun modderige tweekamp hebben ze inmiddels alle Hongaren meegezogen. Want de strijd wordt niet geleverd in het parlement, maar op straat. Onder een verstikkende deken van vlaggen en spandoeken schreeuwen de mensen hun politieke voorkeur uit. Nog nooit sinds de val van het communisme in 1989 waren er zo veel Hongaren op de been. De afgelopen weken werd er iedere avond voor het parlement door duizenden gedemonstreerd. En voor de komende dagen worden er weer tal van nieuwe demonstraties verwacht.

Maar op de werkvloer of in het café wordt er angstvallig gezwegen. Het zou eens kunnen leiden tot een uitwisseling van argumenten, en daarvoor is in Hongarije geen ruimte meer. Je hoort bij het ene of bij het andere kamp. Het is nu Hongarije 1 versus Hongarije 2 – ieder met zijn eigen krant, eigen tv-station en eigen canon aan verdachtmakingen.

Het enige dat nog houvast biedt is blinde haat die slechts hardop wordt gekoesterd te midden van strikt gelijkgestemden. Alleen dan ben je veilig.

„Ik heb geen enkele hoop meer op een oplossing”, zegt theatermaakster V. Vriend Z., van nature een scepticus, moet tot zijn eigen schrik bekennen dat V. gelijk heeft. „We hebben zelfs geen functionerend parlement meer.”

In zijn boek Rokonok (Verwanten), uit 1932, schetst schrijver Zsigmond Móricz een samenleving die bol staat van leugens en verdringing. „In Hongarije rust het hele dagelijkse leven op een fundament van samenwerkende stammen.” Die samenleving hebben we nog steeds, zegt O. „We leven allemaal in dezelfde leugenachtige economie van leven op de pof, van bluffen zonder een fatsoenlijke kaart in handen te hebben.” In plaats van die waarheid onder ogen te zien, zegt O., loopt iedereen weg van de verantwoordelijkheid en graven we ons in. „Van politiek is in Hongarije geen sprake meer, hier woedt de stammenstrijd van Móricz.”

De ene stam, die van Orbán, schildert de andere, die van de premier, af als een zichzelf verrijkende kliek van communisten en postcommunisten. En het werkt – ook al neemt geen enkele Hongaarse krant de moeite om aantijgingen te verifiëren met gedegen onderzoeksjournalistiek.

De andere stam, die van de regering, toont zich mateloos arrogant door geen gevolgen te verbinden aan een schandaal dat hun premier zijn politieke gezag en geloofwaardigheid heeft gekost.

Laatste nieuws van het front: in verslagen van ooggetuigen die aanwezig waren bij de bloedige rellen tijdens de herdenking van de opstand van 1956 duikt een wat duister type Hongaar op. „Ik hoorde agenten van de oproerpolitie onderling een vreemd soort brabbeltaal spreken”, meldde een gepensioneerde Hongaarse professor. „De agenten waren ongewoon klein van stuk.”

De professor wordt op serieuze nieuwssites geciteerd.

Kleine mensen met wapenstokken die brabbeltaal bezigen? Heeft de stam van de regering aliens ingehuurd om de straten schoon te vegen?

Tegelijk verspreidt de oppositiestam foto’s van het politieoptreden die het bewijs leveren van buitenproportioneel geweld. Een groep agenten ranselt een jongen af. Vrouwen van middelbare leeftijd vegen het bloed uit hun ogen; ze waren op straat voor een vreedzame demonstratie en werden geraakt door rubberkogels.

Wie is er begonnen? Wie is verantwoordelijk? „In Hongarije heeft altijd ‘een ander’ het gedaan,” zegt O. „Zonder hulp van buiten komen we hier niet uit.”