Globaliseren: win-win met verliezers

Een paar keer ben ik hier het afgelopen jaar begonnen over het verdwijnen van arbeidsplaatsen en hoe dat in Nederland door alle deskundigen wordt bestempeld als een non-issue. Het is een onderwerp dat je telkens weer in het gezicht slaat wanneer je door Azië rondreist en ziet wat economische groei vermag. Iemand stuurde een ingezonden brief met als strekking dat outsourcing een win-winsituatie is en of ik misschien nog nooit van Ricardo had gehoord en diens toch inmiddels al bijna twee eeuwen oude theorie van de comparatieve kostenvoordelen (als Portugal wijn maakt en Engeland katoen dan zijn ze in een situatie van vrijhandel allebei het beste af wanneer ze elkaars producten kopen – zelfs al zou Portugal het textiel goedkoper kunnen maken).

Het Centraal Planbureau zei twee jaar geleden (in Vier vergezichten op Nederland) dat de toenemende concurrentie op de lange duur gunstig is voor onze welvaart „hoewel er aanvankelijk sprake kan zijn van pijnlijke aanpassingen”. En zo zei het CPB: „De historische ontwikkeling ondersteunt deze gedachte”.

In de jongste Macro Economische Verkenning 2007 staan de Haagse deskundigen prijzenswaardig genoeg expliciet stil bij de vraag wat de opkomst van China nou eigenlijk voor Nederland betekent. In hun antwoord blijven zij consequent: niet zoveel. De Tweede Kamer heeft er nu in de betreffende begrotingsbehandeling geen woord meer aan vuil gemaakt.

Maar hoe valt het te rijmen met het aanzwellende leger van dissidenten buiten Nederland. En dan niet in verander-trage landen als Frankrijk en Duitsland, waar klagen over mondialisering van de economie al gauw in de kwalijke reuk van verkapte behoudzucht staat, maar juist in de Angelsaksische wereld? Voor een conferentie van de Amerikaanse centrale banken, de Fed, schreef Harvard-econoom Richard Freeman onlangs een stuk waarin hij vaststelde dat de economen zich simpelweg op de gevolgen van de globalisering hebben verkeken. We hebben veel te veel gekeken naar de bedreiging van de werkgelegenheid, te weinig naar de bedreiging voor de lonen, zo betoogt hij. Het leger aan arbeidskrachten is in korte tijd van anderhalf naar bijna drie miljard gestegen Rusland, China, India) en het gevolg is dat de middeninkomens in het Westen al een aantal jaren stagneren. Dat wordt hooguit gecamoufleerd door meer tweeverdieners, door dalende prijzen van consumptiegoederen en een gevoel van toenemende welvaart vanwege stijgende huizenprijzen. Het idee dat arbeid schaars wordt – vergrijzing – acht hij grote onzin. Tenzij je leeft met de illusie dat je voor langere tijd een hek om een land kunt zetten.

De chef-econoom van de Britse bank HSBC, Stephen King, schreef voor zijn klanten: „Globalisering is het verhaal van een massale herverdeling van inkomens uit arbeid in zijn totaliteit naar kapitaal (...) Dit is een verhaal van winnaars en verliezers.” (Aangehaald in de Financial Times, 21 oktober) De winnaars zijn de arbeiders in de Derde Wereld die op den duur een beter leven zullen krijgen, en het is een kleine groep hoogopgeleiden aan de top van de bedrijfs- en adviespiramide, die puissant rijk wordt. Niet gewoon rijk, maar fabelachtig rijk, zoals dat gaat wanneer arbeid in overvloed op het toneel verschijnt.

De verliezer is de middenklasse in het Westen en dus niet alleen de fabrieksarbeider, maar ook de middenklasse, inclusief de zogeheten dienstverleners. De vakbonden kunnen hen niet meer helpen, want behalve dat het geen mode meer is, hebben die bij zoveel arbeidsaanbod ook geen macht meer.

De politiek reageert op twee manieren. Men roept win-win en er wordt gepleit voor meer onderwijs, training en levenslang leren. Dat is ook allemaal nodig. Maar is het genoeg, ervan uitgaande dat ze ook in China en India niet stom zijn en afstuderen?

Richard Freeman beveelt aan dat de Westerse landen – dus niet alleen Amerika – een beleid voeren dat „eerder ten gunste van arbeid is dan van kapitaal.” Want kapitaal kan voor zichzelf zorgen in een wereldeconomie met zoveel goedkope arbeid.

De voorzitter van de Amerikaanse centrale banken zelf, Ben Bernanke, zei het zoals het zijn functie betaamt wat voorzichtiger in de jaarlijkse Jackson Hole-lezing. Maar het was ook een oproep tot meer sociaal beleid. Deze globalisering is anders dan wat we eerder hebben beleefd, qua schaal, qua ontvlechting van de productieketen. De historische ontwikkeling, waar het CPB voor haar prognose naar verwijst, wordt door hem dus gerelativeerd. En, aldus Bernanke, de politici zullen ervoor moeten zorgen „dat de voordelen van de economische integratie op wereldschaal voldoende breed worden gedeeld.” Hij zegt het niet met zoveel woorden maar aan alles merk je dat hij het ontbreken van een maatschappelijke consensus daarover als een tijdbom beschouwt.

Nobelprijswinnaar Joe Stiglitz zegt het provocerender: „Groeiende ongelijkheid in de ontwikkelde industrielanden is een lang voorspelde, maar zelden van de daken geroepen consequentie van globalisering.” De jongste Macro Economische Verkenning daarentegen: „De effecten van globalisering op de inkomensongelijkheid zijn zeer bescheiden.”

Nogmaals, misschien is het één groot misverstand en is het allemaal win-win met een paar tijdelijke ongemakjes voor sommige mensen. Misschien ook niet, en vreet het langzaam maar zeker aan het cement van de westerse democratieën, aan de middenklasse.

Dan is het een onderwerp dat veel verder reikt dan een onderling discours tussen economen. De ideologen van het Wall Street kapitalisme hebben hun antwoorden al paraat, net als de antiglobalisten. Maar op een of andere manier blijven al hun therapieën een slag in de lucht wanneer de diagnose nog zoveel vragen oproept. Met andere woorden: hoe tijdelijk zijn de ongemakken en hoe groot?