De sikhs keren terug naar Afghanistan

Positief nieuws uit Afghanistan: sinds de verdrijving van het Talibaanbewind groeit de piepkleine gemeenschap van sikhs weer. Ze voelen zich thuis in Kabul.

Soms duiken ze ineens op bij een Afghaanse bruiloft. Jongens met vlassige baardjes, knotjes op hun hoofd, bedekt door een zwarte lap. In een kring beginnen ze al dansend, met stokken in de hand, een imaginair zwaardgevecht. Het zijn Afghaanse sikhs, tieners, die voor geld een traditionele dans uitvoeren op trouwpartijen in Kabul.

In het openbare leven in de Afghaanse hoofdstad zijn ze de afgelopen jaren weer zichtbaar, de sikhs, herkenbaar aan hun rode of blauwe tulbanden en volle baarden. Het zijn Afghanen die buiten de deur Dari of Pasthun spreken. Maar thuis is de voertaal ouderwets Punjabi, de taal van hun verre voorouders, afkomstig uit Punjab. De meesten zijn teruggekeerd uit Peshawar in Pakistan, sinds eind jaren zeventig een populair toevluchtsoord voor Afghanen die aan het geweld in eigen land wilden ontsnappen.

„We hebben het hier goed, dit is ons land”, zegt Charan Singh, een twintiger met rode tulband, gekleed in jeans, oranje shirt en puntschoenen. Buiten de Guru Nanak Durbar Gurdwara, de sikhtempel in Kabuls Karta Pawan-district, hangt Singh ’s avonds wat rond met zijn sikhvrienden.

„Toen de Talibaan heersten hadden we eigenlijk nooit problemen”, zegt hij. Speciale eenheden van de Talibaan, de zogeheten religieuze politie, patrouilleerden destijds in de straten van Kabul om te controleren of moslims zich wel hielden aan de voorschriften van het ministerie van Bevordering van Deugd en Voorkoming van Zonden, zoals het dragen van baarden voor mannen en burqa’s voor vrouwen.

Volgens Charan Singh moesten de hindoes in Afghanistan daarentegen in fel gekleurde shalwar kameez (traditionele kledij) gekleed gaan, zodat ze gemakkelijk herkenbaar waren als niet-moslims. Hij zegt: „Ons vonden de Talibaan herkenbaar genoeg, ze konden zien dat wij geen moslims waren en lieten ons daarom met rust.” Officieel mogen mannelijke sikhs hun haren niet knippen en moeten zij hun baard laten staan. De tulband symboliseert uniformiteit en gelijkheid, maar is vooral handig om het haar, dat soms tot de onderrug komt, bijeen te houden.

Ooit was er een levendige, welvarende gemeenschap van ruim een half miljoen sikhs in Afghanistan. In steden als Kabul, Kunduz en Jalalabad bestonden grote concentraties sikhs; bezitters van winkels en geldwisselaars. „Ze zijn hier ruim 200 jaar geleden naartoe gekomen”, zegt Nilab Rahimi, directeur van de bibliotheek van Kabul. Handel en de lange poreuze grens met het toenmalige India veroorzaakten volgens hem de instroom van sikhs. „Pas in de jaren twintig van de vorige eeuw werden ze officieel als Afghanen geregistreerd”, vertelt Rahimi.

Hoewel Afghanistan een islamitisch land is, zijn religieuze minderheden officieel vrij om hun geloof te belijden. Rahimi: „Sikhs krijgen veel respect hier in Afghanistan, het zijn waardige en gastvrije mensen. Het sikhisme, een mengsel van hindoeïsme en islam, is eveneens monotheïstisch en staat dicht bij ons geloof.”

Zelfs de Talibaan lieten volgens Rahimi sikhs en andere geloofsgroepen als de hindoes en christenen met rust. Tijdens het Talibaan-bewind moesten echter alle vrouwen – ongeacht hun geloof – op straat wel een burqa dragen.

Niettemin verlieten tijdens het Talibaan-bewind veel sikhs het land, waardoor er slechts enkele honderden overbleven. De aanvankelijke aftrap voor de exodus was eind jaren zeventig al gegeven, na de inval van de Sovjet-Unie in Afghanistan. Toen Afghanistan na de aftocht van het Sovjet-leger in 1989 het toneel werd van een burgeroorlog, kreeg de uittocht van sikhs een nieuwe, sterkere impuls. Ze waaierden uit naar landen als India (waar ruim twintig miljoen sikhs wonen), Pakistan en Groot-Brittannië.

„Maar nu is onze gemeenschap weer aan het groeien”, zegt Chhbol Singh, een dertiger die met een aantal andere sikhs de tempel in Kabul bestiert. Chhbol Singh schat het aantal sikhs in Afghanistan nu op ruim 2.000. „Het zijn vooral mensen die zijn teruggekomen uit Pakistan, of die in landen als India niet geslaagd zijn”, legt hij uit. „Degenen die zich met succes ergens anders hebben gevestigd, komen niet meer zo snel terug.”

Nee, je hoort de sikhs in Kabul niet snel klagen over het dit jaar toegenomen geweld in het land of de traag op gang komende economie. De situatie is nog altijd een stuk beter dan tijdens de jaren negentig, zegt Chhbol Singh. „Wij zijn hier geworteld, hebben moslimvrienden en voelen ons Afghanen. Je kunt niet altijd blijven vluchten.”