Botha was hervormer in jas despoot

Pieter Willem Botha zag zichzelf als hoeder van de blanke natie in zwart Afrika.

Maar hij besefte dat de apartheid failliet was, en werkte aan de afschaffing.

Een interne partijcoup maakte in 1989 een einde aan het presidentschap van Pieter Willem Botha. Dat was het begin van het einde van de blanke dominantie in Zuid-Afrika. Het begin van het einde van de apartheid. Zuid-Afrika’s voorlaatste blanke president, die als premier aan de macht kwam in 1978, bleef tot het einde kwaad over het verraad van zijn partijgenoten van de Nasionale Party. Botha trok zich terug in de West-Kaap, de provincie waar de blanke kolonisatie van Zuid-Afrika ruim drie eeuwen eerder was begonnen. Het toevluchtsoord waar hij gisteren overleed, heet Wildernis.

Vanaf zijn benoeming als president was Botha de Groot Krokodil. Zo noemde men hem. Zo liet hij zich noemen. Een vechtjas. ‘Een welwillende dictator’, zoals hij zichzelf in zijn vrolijkste dagen zag. Die boosheid was zijn handelsmerk. Altijd kracht bijgezet door zijn beruchte, opgeheven rechtervingertje.

In de tien jaar onder Botha werden 54.750 mensen gevangen gezet, zonder proces. Meer dan duizend verdachten van criminele of politieke misdaden werden geëxecuteerd. Nog eens tweeduizend Zuid-Afrikanen werden op straat gedood door zijn veiligheidstroepen. Terwijl de protesten in de zwarte townships zich over heel het land verspreidden, kondigde Botha in 1985 de noodtoestand aan die pas zou eindigen lang nadat hij van het toneel verdwenen was, op 2 februari 1990, de dag dat Mandela’s vrijlating door zijn opvolger De Klerk werd aangekondigd.

PW Botha was de regisseur van dit drama. Hij alleen zat op de stoel en wie daaraan durfde te twijfelen, kreeg een donderpreek. Zoals in 1986 toen de progressieve minister van Buitenlandse Zaken en naamgenoot Pik Botha (geen familie) had gesuggereerd dat Nelson Mandela spoedig zou worden vrijgelaten, en dat de tijd rijp was voor onderhandelingen met Mandela’s ANC. In de toespraak die volgde zwaaide PW met zijn beroemde rechtervingertje. „Nooit zal ik blanke Zuid-Afrikanen de weg insturen die leidt tot machtsverlies en zelfmoord. Zonder de blanken aan de macht zal het land in factiestrijd storten, chaos en armoede.”

Juist deze woorden haalden de volgende dag de voorpagina’s, en wekten afschuw in de hele wereld. Botha’s knieval, zijn erkenning dat de apartheid failliet was, ging verloren in boze retoriek. Het buitenland hoorde niet dat het beleid van groot apartheid, van gescheiden ontwikkeling, van zwarte thuislanden en blanke enclaves, zoals in de jaren zestig verzonnen door Hendrik Verwoerd, zou worden afgeschaft.

Hierin ligt de tragiek van PW Botha. Hij had de geschiedenis in kunnen gaan als de grootste hervormer in de Zuid-Afrikaanse politiek sinds de dag dat Jan van Riebeeck voet aan wal zette in 1652. Maar hij was een halfslachtige hervormer met het imago en de stijl van een despoot. In de geschiedenisboeken zou FW De Klerk de Gorbatsjov worden van Zuid-Afrika. FW De Klerk liet Mandela vrij. FW de Klerk schafte de apartheid af. FW De Klerk zou, in 1993 samen met Mandela, de Nobelprijs voor de vrede in ontvangst nemen.

Maar het was de stijve PW Botha die het voorwerk verrichtte voor het latere succes van De Klerk. Vanaf zijn aantreden in 1978 was zijn boodschap dat apartheid uit de mode was. Botha behoorde tot de ‘verligte’ Afrikaners. „We bewegen ons in een snel veranderende wereld”, zei hij in 1979. „We moeten ons wel aanpassen, anders gaan we dood.” Botha noemde zwarte Zuid-Afrikanen zo maar ‘fellow South Africans’, medeburgers.

Botha hervormde niet omdat hij zich het lot van zwarte Zuid-Afrikanen zo aantrok. Hij zei het als een regte Afrikaner, die zich moet aanpassen aan zijn omgeving om te overleven. Botha zag zichzelf als hoeder van de blanke natie, van christelijke, westerse normen en waarden.

Botha’s strijd werd steeds eenzamer. De stenengooiers in de townships wonnen, in het tijdperk van bevrijding in Oost-Europa. Botha verloor de Amerikanen, die hem zo lang steunden in zijn oorlog tegen communisme en het ‘terrorisme’ van het ANC.

Botha verloor uiteindelijk ook de steun van zijn partij. Dat deed het meeste pijn. Botha had nooit een andere baan, dan die van politicus. Parlementslid, minister, premier, president. Die carrière werd hem afgenomen toen hij begin 1989 een hartaanval kreeg. Vanaf het ziekbed moest Botha toezien hoe de partij de nieuwe partijleider FW de Klerk naar voren schoof als nieuw staatshoofd. Op 14 september 1989 werd Frederik Willem de Klerk benoemd tot president.

„Neem het leven niet te serieus, je komt er toch niet levend vanaf”’, grapte Botha op het feestje voor zijn negentigste verjaardag in maart 2006. Hij heeft nooit spijt betoond. In 1989 werd hij bij verstek veroordeeld wegens zijn weigering om voor de Waarheidscommissie te verschijnen. Zijn opvolger De Klerk verscheen wel, maar liet naderhand via de rechter de passages schrappen over zijn verantwoordelijkheid voor de twaalfduizend doden die tijdens zijn presidentschap vielen. Ook in de officiële geschiedschrijving van Zuid-Afrika wint De Klerk van Botha.