Bestuurdersvloed bedreigt waterschap

Linkse partijen willen de waterschappen afschaffen ter bestrijding van ‘bestuurlijke drukte’. Is dat niet vragen om een watersnoodramp?

Leiden, 1 nov. - Kan Nederland zonder waterschappen? „Ja”, antwoordt voormalig LTO-leidsman Gerard Doornbos, thans dijkgraaf van het hoogheemraadschap van Rijnland in Leiden. En wordt Nederland daar beter van? „Nee”, aldus Doornbos.

Nut en noodzaak van de waterschappen staan ter discussie. Niet voor de eerste keer in de aanloop naar verkiezingen twijfelen politici, bestuurders en publiek aan het bestaansrecht van de watermanagers. De complete linkerflank van de politiek bepleit in de verkiezingsprogramma’s het opheffen van de waterschappen. De PvdA schrijft: „Tussen het rijk en de gemeente bevinden zich nog veel te veel bestuurslagen (regio, waterschap, provincie en landsdeel). Dat willen we terugbrengen tot een simpel, afgeslankt middenbestuur van maximaal twee lagen tussen rijk en gemeenten. Ook de taken van het waterschappen zullen in dat vernieuwde middenbestuur worden ondergebracht.” De SP: „De waterschappen worden afgeschaft en hun taken en verantwoordelijkheden worden ondergebracht bij de regiobesturen of de provincies.” En GroenLinks formuleert: „Bestuurlijke drukte veroorzaakt door allerlei bestuurlijke tussenlagen en deelvormen wordt afgeschaft. De taak van waterschappen wordt overgenomen door andere overheden.”

Het debat over de waterschappen komt deze keer op een merkwaardig moment. Ten eerste is dit jaar vaak gewaarschuwd dat Nederland onvoldoende rekening houdt met mogelijke overstromingen, en velen wijzen daarbij op de rol van de waterschappen. Kroonprins Willem-Alexander brak onlangs nog een lans voor de waterschappen, in een advies aan minister Peijs (Verkeer en Waterstaat, CDA). „Waterschappen spelen een onmisbare rol bij het realiseren van de waterveiligheid van Nederland. Initiatieven tot vergroting van de efficiency en slagvaardigheid van de samenwerking van de verschillende bij het waterbeheer betrokken bestuurslagen mogen er niet toe leiden dat de inzet, kennis en ervaring van deze (functionele) bestuurslaag onvoldoende gewaarborgd kunnen worden.” Een delegatie uit het door watersnood getroffen New Orleans, onlangs op bezoek in Nederland, was zelfs jaloers op het systeem van waterschappen.

Ook is deze week de de nieuwe Waterschapswet door de Tweede Kamer aangenomen. Een wet die, zo benadrukt de Unie van Waterschappen, een modernisering van de bestuurlijke en financiële structuur mogelijk maakt. De wet regelt dat het aantal heffingen van de waterschappen tot twee wordt beperkt. Ook regelt de wet dat zich voor het gekozen bestuur niet langer personen kandidaat stellen, maar partijen met een politiek programma. Dat kan een boerenpartij zijn, of de ANWB.

Eén van de pleitbezorgers van het afschaffen van waterschappen is Kamerlid Jan Boelhouwer (PvdA). „Dat wij hebben ingestemd met de Waterschapswet, betekent niet dat ons grote ideaal op langere termijn opgeven.” Boelhouwer verwacht dat met het verdwijnen van de waterschappen de „bestuurlijke drukte” zal afnemen. Bovendien hebben burgers meer invloed op het waterbeheer als dat in de „algemene democratie” is ondergebracht. Volgens Boelhouwer kan een bezuiniging van 120 miljoen euro wordt ingeboekt als de waterschappen worden afgeschaft en de watermanagers elders worden ondergebracht. „Dat zijn cijfers van het ministerie van Financiën.”

Dijkgraaf Gerard Doornbos van het hoogheemraadschap van Rijnland bestrijdt dat de waterschappen niet efficiënt werken. „Het kan altijd beter. Daar werken we ook aan. Maar halverwege de vorige eeuw hadden we 2.600 waterschappen. Nu zijn dat er nog 26. Als gemeenten in dezelfde mate zouden zijn gefuseerd, dan zouden er nu geen 458 maar slechts 11 gemeenten over zijn.” De strijd tegen het water is zó essentieel voor het voortbestaan van de natie, stelt Doornbos, dat je het waterbeheer niet moet overlaten aan de grillen van de politiek. „Ik wil niet dramatiseren. Maar als veiligheid afhankelijk wordt gemaakt van het kortetermijndenken in de politiek, dan krijg je rampen. Zoals in New Orleans is gebeurd.”

Boelhouwer bestrijdt deze redenering. „De aanwezigheid van de waterschappen heeft niet voorkomen dat we nu zitten met het probleem dat veel van onze dijken niet aan de huidige normen voldoen, laat staan aan de strengere normen die we zouden moeten hanteren als we rekening houden met de klimaatverandering.”

Dijkgraaf Doornbos vindt dat waterschappen harder aan de weg moeten timmeren. De dijkgraaf ergert zich aan het feit dat het rijk wel de normen voor waterveiligheid stelt maar dat als blijkt dat de dijken niet aan de normen voldoen, het rijk eerst moet discussiëren over het belang van waterveiligheid „ten opzichte van de bouw van een nieuwe sporthal”. Doornbos: „Misschien moeten de waterschappen zelf maar extra belasting gaan heffen om het benodigde geld op tafel te krijgen.” Geld dat het rijk vervolgens kan besparen, om te voorkomen dat de lastendruk voor de burgers verder toeneemt. Dat zou bovendien ertoe leiden dat er een discussie op gang komt over welke inwoners in welke plaats hoeveel geld moeten betalen voor hun veiligheid. „Ik zeg niet dat de waterschappen dit per se moeten gaan doen. Want je haalt je er veel mee op de hals. Maar het zou wel de bewustwording over waterveiligheid ten goede komen. Sommige mensen wéten niet eens dat ze buitendijks wonen! Je zou dan ook moeten praten over wie wat moet betalen. Sommige mensen in hoger gelegen delen zullen zeggen dat zij niet hoeven mee te betalen. Anderzijds zullen mensen in Amersfoort moeten erkennen dat als de Randstad verzuipt, zij daar ook zelf zwaar onder zullen lijden.”

Dit is het derde deel van een serie. Eerdere delen zijn na te lezen op www.nrc.nl/binnenland