Was Tsjechov vooral broodschrijver of meer?

Was Tsjechov vooral broodschrijver of meer? de beste boeken van de week Anton P. Tsjechov laat zich in deel drie van zijn Verzamelde verhalen 1887-1888 (Van Oor-schot, € 34,–) zien als broodschrijver, maar dan wel een superieure, schrijft Hans den Hartog Jager. De kwaliteit in dit deel van de Verzamelde verhalen is ‘duizelingwekkend hoog, zeker als je die enorme productiviteit in aanmerking neemt. Tegelijk roept dit derde deel ook de vraag op wat Tsjechov wilde met zijn verhalen. Was hij vooral een broodschrijver die er achter kwam dat hij met een overdaad aan talent was gezegend, of reikten zijn ambities verder? Karel van het Reve heeft eens opgemerkt dat het Tsjechov in zijn eigen tijd werd nagedragen dat hij in zijn werk geen ‘wereldbeschouwing’ uitdroeg. Dat vond Van het Reve onzin, maar dat neemt niet weg dat je als lezer wel nieuwsgierig wordt naar de bodem onder deze virtuositeit. Terwijl je leest blijf je vermoeden dat alles wat maar enigszins naar een inhoudelijke bodem neigt, vooral voortkomt uit literair-technische motieven. Misschien is dat wel het bijzonderste aan dit werk: dat het ontbreken van die bodem uiteindelijk niet uitmaakt. Wie ze leest, verhaal na verhaal, ontkomt niet aan het vermoeden dat Tsjechov inderdaad die superieure broodschrijver was die we eigenlijk liever niet in hem willen zien.’

Anton P. Tsjechov laat zich in deel drie van zijn Verzamelde verhalen 1887-1888 (Van Oor-schot, € 34,–) zien als broodschrijver, maar dan wel een superieure, schrijft Hans den Hartog Jager. De kwaliteit in dit deel van de Verzamelde verhalen is ‘duizelingwekkend hoog, zeker als je die enorme productiviteit in aanmerking neemt. Tegelijk roept dit derde deel ook de vraag op wat Tsjechov wilde met zijn verhalen. Was hij vooral een broodschrijver die er achter kwam dat hij met een overdaad aan talent was gezegend, of reikten zijn ambities verder? Karel van het Reve heeft eens opgemerkt dat het Tsjechov in zijn eigen tijd werd nagedragen dat hij in zijn werk geen ‘wereldbeschouwing’ uitdroeg. Dat vond Van het Reve onzin, maar dat neemt niet weg dat je als lezer wel nieuwsgierig wordt naar de bodem onder deze virtuositeit. Terwijl je leest blijf je vermoeden dat alles wat maar enigszins naar een inhoudelijke bodem neigt, vooral voortkomt uit literair-technische motieven. Misschien is dat wel het bijzonderste aan dit werk: dat het ontbreken van die bodem uiteindelijk niet uitmaakt. Wie ze leest, verhaal na verhaal, ontkomt niet aan het vermoeden dat Tsjechov inderdaad die superieure broodschrijver was die we eigenlijk liever niet in hem willen zien.’