Deze appel komt uit de buurt, dat scheelt CO 2

De rekening loopt op tot 2,5 biljoen dollar als we klimaatverandering nu negeren.

Gisteren verscheen een rapport hierover. Maar wie is bereid te betalen?

Een Elstar, in 1972 ontwikkeld in Wageningen en nog steeds heel populair in Nederland

Wie bij de supermarkt op de hoek een Royal Gala appel uit Nieuw-Zeeland koopt, betaalt daarvoor nauwelijks meer dan voor een Nederlandse Elstar. Dat kan alleen als de kosten voor het vervoer van appels heel laag zijn. En dat kan alleen als de milieuschade die door het vervoer van de appel ontstaat niet in rekening wordt gebracht. Die kosten zijn inderdaad nergens terug te vinden. Niet in de prijs van kerosine, die kunstmatig laag wordt gehouden. En ook niet in de afspraken die in 1997 in Kyoto zijn gemaakt over het terugdringen van broeikasgassen. Het vliegverkeer is in Kyoto geheel buiten beschouwing gebleven.

Honderdvijftig jaar lang hebben we de atmosfeer volgepompt met kooldioxide, zei de Britse minister van Milieu onlangs, alsof dat zomaar kon. En nu krijgen we de rekening gepresenteerd, in de vorm van de opwarming van de aarde.

Hoe hoog die rekening eigenlijk is, wilde de Britse regering wel eens weten. Daarom werd de gerenommeerde ontwikkelingseconoom Nicholas Stern, voormalig topeconoom van de Wereldbank, gevraagd om de kosten te becijferen van de klimaatverandering die het gevolg is van de almaar toenemende uitstoot van kooldioxide en andere broeikasgassen – dat is voor het eerst dat zoiets gebeurt.

Stern, wiens 700 pagina’s tellende rapport gisteren werd gepubliceerd, koos voor een simpele methode: bereken wat het gaat kosten als er niets wordt ondernomen – een business-as-usual-scenario. En vergelijk dat met de voordelen die het heeft om nu fors te investeren in klimaatmaatregelen. De uitkomst: de rekening loopt op tot 2.500.000.000.000 dollar (2,5 biljoen) in 2050 als we klimaatverandering nu negeren. Willen we dat niet, dan moeten we vanaf nu 1 procent van het wereldwijde bruto nationaal product investeren (en dat is nog altijd minder dan de economische groei).

Volgens Stern riskeren we een „economische en sociale ontwrichting later deze eeuw en in de volgende eeuw, met een omvang die doet denken aan de twee wereldoorlogen en de crisis in de eerste helft van de twintigste eeuw” als we niet snel in actie komen. Dit drama „voltrekt zich niet in een of andere science fiction toekomst”, zei ook de Britse premier Tony Blair gisteren bij de presentatie van het rapport, „maar al tijdens ons leven. Als we niet nu iets doen zijn de rampzalige gevolgen onomkeerbaar.”

De cijfers spreken volgens Stern voor zich: vóór de industriële revolutie zaten er ongeveer 280 deeltjes kooldioxide per miljoen in de lucht. Inmiddels zijn dat er 430. Als we in het huidige tempo doorgaan – en tot nu toe gaat het ieder jaar sneller – zijn het in 2050 zo’n 550 deeltjes. De kans dat de temperatuur tegen die tijd met meer dan 2 graden Celsius is gestegen is volgens Stern heel groot. Hij gaat bij zijn economische berekening uit van een stabilisatie van een kooldioxideconcentratie tot 550 deeltjes. Dat is alleen haalbaar als we de komende tien jaar het tij weten te keren van een high-carbon naar een low-carbon economie – van een hoge naar een lage kooldioxide producerende samenleving. Dat zal niet eenvoudig zijn, beseft ook Stern. In een artikel in het tijdschrift World Economics schrijft hij: „De uitstoot van broeikasgassen berokkent schade aan anderen zonder dat het degene die verantwoordelijk is voor de uitstoot iets kost.”

Dat is het verhaal van de appel: de producent en de winkelier verdienen aan de verkoop ervan. En wie betaalt de kosten van de milieuschade? In principe de hele wereld, concludeert Stern, maar sommigen betalen meer. Zo zullen ontwikkelingslanden eerder en meer te lijden hebben van klimaatverandering dan de rijke landen. Die landen zijn geografisch in het nadeel doordat het er toch al warmer is en doordat de gevoeligheid voor neerslag veel groter is. Bovendien zijn ze voor hun inkomen afhankelijk van de landbouw, de meest klimaatgevoelige economische sector. En ten slotte hebben de landen niet genoeg geld om zich aan een veranderend klimaat aan te passen.

Economische activiteiten met zogeheten ‘externe’ kosten (zoals milieuschade) worden gewoonlijk onder controle gebracht met belastingmaatregelen (accijns op sigaretten om gezondheidsrisico’s te bestrijden, wegenbelasting om het onderhoud van de infrastructuur te betalen), door regulerende maatregelen of door toewijzing van rechten om schadelijke activiteiten mogelijk te maken (mestquota). Maar dat is het probleem bij grensoverschrijdende economische activiteiten. Maatregelen om klimaatverandering te bestrijden moeten door landen gezamenlijk worden genomen en hebben pas een merkbaar effect op de lange termijn – en dan niet zozeer doordat er iets goeds gebeurt, maar doordat iets slechts achterwege blijft.

Natuurlijk willen we het broeikaseffect bestrijden. Maar willen we dat ook als onze appels daardoor 10 euro per kilo gaan kosten? Niet voor niets verwezen de Verenigde Staten het Kyoto-protocol, waarin wereldwijd afspraken zijn gemaakt over een reductie van de uitstoot van broeikasgassen, naar de prullenbak omdat ze het „te duur” vonden.Toch noemt Stern zijn boodschap optimistisch. „Groei en groen” kunnen heel goed samen gaan, schrijft hij. Daarvoor moeten we wel heel snel gaan investeren.

Allereerst moet de uitstoot van broeikasgassen een reële prijs krijgen. Wie broeikasgassen produceert, betaalt daarvoor (en brengt dat al dan niet in rekening bij klanten). Deze zogeheten emissiehandel bestaat al wel, maar werkt nu niet goed. Europese landen hebben de afgelopen jaren zoveel emissierechten uitgedeeld, dat de prijs van kooldioxide te laag is.

Ten tweede moet fors geïnvesteerd worden in technologische vernieuwing om de uitstoot van broeikasgassen te bestrijden.

En ten derde moeten er maatregelen komen om het gedrag van mensen te veranderen. Dat kan variëren van wettelijke minimumeisen aan zuinige automotoren of isolatie van gebouwen, tot het wegnemen van ingewikkelde regels voor milieuvriendelijke activiteiten. Een deel van het geld zal ook gebruikt moeten worden voor aanpassingen aan klimaatverandering: dijken verhogen, gebouwen beschermen tegen zwaardere stormen, waterhuishouding reguleren om droogte of juist overstromingen te voorkomen.

Dit alles zal alleen lukken, schrijft Stern, bij een goede internationale samenwerking. Dat dempt het optimisme uit het rapport. Volgende week begint in Nairobi een grote twee weken durende klimaatconferentie, waarin gesproken wordt over een vervolg op het Kyoto-protocol, dat in 2012 afloopt. Daar zullen de Verenigde Staten – gesteund door olieproducerende landen – alles in het werk stellen om de zaak te traineren. Emerging markets als China en India zullen zichzelf blijven indelen bij ontwikkelingslanden, waarvan je niet mag verwachten dat ze dure maatregelen nemen. De landen die nu proberen aan de Kyoto-normen te voldoen (Europa, Japan en Canada) zullen alleen een Kyoto II willen als iedereen meedoet.

Bekijk het hele rapport op http://www.hm-treasury.gov.uk/independent_reviews/stern_review_economics_climate_change/stern_review_report.cfm of 45262 naar 7585. Bekijk een interactief kaartje over klimaatverandering op: http://news.bbc.co.uk/ 2/shared/spl/hi/sci_nat/04/climate_change/html/climate.stm of 55508 naar 7585.