‘Darfur kan het feestje verpesten’

Terwijl het Westen er weg blijft, doet het Oosten in Soedan goede zaken. Amerikaanse economische sancties halen niets uit. Het grootste land van het continent bloeit. De mensen die de Soedanese economie leiden zouden tot de beste van Afrika behoren.

„Zeg tegen iedereen dat je maar één keer leeft”, zeggen ze in Khartoum. Foto AP Sudanese women try on bracelets at damas jewelry store in afra shopping center the mall is the first western syle shopping center in khartoum is popular with sudanese and foreigners in Khartoum, Wednesday, July 20, 2005. (AP Photo/Abd Raouf) Associated Press

Om de afstandelijkheid van Soedan jegens de rest van de wereld, met name de westerse wereld, te begrijpen, neme men een kijkje in het Ozon Café. Daar zitten jonge, rijke Soedanezen, met gescheurde jeans en modieuze gymschoenen, op het terras ijsjes te eten, terwijl de airconditioning een verkoelende mistsluier over ze heen blaast. Om de hoek zit een nieuwe BMW-dealer, waar auto’s van 130.000 euro per stuk in de etalage staan.

„Zeg tegen iedereen dat je maar één keer leeft”, zegt Nada Gerais, een verkoopster. Terwijl een van ’s werelds ernstigste humanitaire crises voortduurt in Darfur, worden overal in Khartoum bruggen gebouwd, verrijzen er kantoortorens, worden er supermarkten geopend en vervoeren diepladers er plasmatelevisies door het steeds drukker wordende verkeer.

Ondanks het beeld van Soedan als een land van kurkdroge grond en hongerende mensen, bloeit de economie, zonder veel hulp van het Westen. De olie heeft de Soedanese economie tot een van de snelst groeiende van Afrika – zo niet van de hele wereld – gemaakt, waardoor de toch al oorlogszuchtige regering van het land zich gesterkt voelt en over de middelen beschikt om de westerse eisen ten aanzien van het beëindigen van het conflict in Darfur te weerstaan.

De Amerikaanse sancties hebben veel bedrijven uit Europa en de Verenigde Staten buiten Soedan gehouden, maar bedrijven uit China, Maleisië, India, Koeweit en de Verenigde Arabische Emiraten zijn daarvoor in de plaats gekomen. De directe buitenlandse investeringen zijn omhooggeschoten van 128 miljoen dollar in 2000 naar 2,3 miljard dollar dit jaar – ondanks het Amerikaanse handelsembargo.

„Khartoum is hot – in alle opzichten”, zegt Hashim Wahir, bestuursvoorzitter van het Maleisische olieconcern Petronas Sudan. Zolang Aziatische landen graag handel drijven met Soedan, ondanks zijn bedenkelijke staat van dienst op het gebied van de mensenrechten, lijkt het Amerikaanse embargo een minimale uitwerking te hebben. De Soedanese president Omar Hassan al-Bashir blijft zijn minachting voor het Westen tentoonspreiden door VN-vredesbewaarders in Darfur te weigeren, ondanks het voortdurende bloedvergieten en de steeds intensievere druk van de Verenigde Staten. [De voornaamste VN-gezant Jan Pronk verliet 23 oktober Khartoum nadat de regering van Bashir, de diplomatieke vijandelijkheden opvoerend, hem een vijand van Soedan had genoemd en hem had opgedragen te vertrekken]

„De regering weet dat zij Amerika niet nodig heeft”, zegt Abda Yahia El- Mahdi, een vroegere minister van Financiën die nu actief is als consultant. „De enige mensen die schade ondervinden van de sancties zijn de Amerikanen zelf, die niet van deze reusachtige bloei kunnen profiteren.”

De rijkdom wordt nauwelijks evenredig verdeeld, zodat een groot deel van Soedan net als Darfur wanhopig arm blijft. Maar al bij al nam het bruto binnenlands product van het land volgens het Internationale Monetaire Fonds in 2005 met 8 procent toe, en zal het dit jaar naar verwachting met 12 procent stijgen, grotendeels omdat Soedan zijn ruwe olieproductie substantieel heeft verhoogd naar 512.000 vaten per dag – een druppel in vergelijking met Saoedi-Arabië of Iran, maar genoeg om miljarden dollars te laten vloeien naar een land dat tot voor kort een van de armste ter wereld was.

De bloei versterkt eveneens de binnenlandse machtsbasis van het regime. Bashir heeft honderden miljoenen dollars in infrastructurele projecten gestoken, zoals de bouw van wegen, bruggen, energiecentrales, ziekenhuizen en scholen, projecten die de populariteit van een regering meestal verhogen. Bashir lijkt dat nodig te hebben, nu veel mensen in het hele land, niet alleen in Darfur, openlijk tegen zijn gezag in opstand komen.

Bashir, een generaal, greep in 1989 de macht via een militaire staatsgreep, en het leger behoort tot de voornaamste profiteurs van deze bloei. El-Mahdi zegt dat meer dan 70 procent van het overheidsaandeel in de oliewinsten aan defensie wordt uitgegeven. Een van de prioriteiten van de regering is het in eigen land produceren van wapens en munitie, voor het geval er ooit een wapenembargo wordt afgekondigd.

Ondanks het nieuwe materialisme volgt Soedan nog steeds een krijgshaftige koers. Legerofficieren genieten een speciale status, buitenlandse bezoekers moeten zich bij de politie melden en schoolkinderen moeten camouflage-uniformen dragen. Maar de economische bloei verandert de maatschappij, van de carrières die mensen nastreven tot de muziek waarnaar zij luisteren en het voedsel dat zij eten. De traditionele maaltijd ‘ful’, een bonenschotel die tijdens het ontbijt en de lunch wordt genuttigd, maakt plaats voor kebabs, joghurt, hamburgers en hot dogs.

„We hebben zelfs Pringles”, zegt Mohammed Abdelwahab Salih, een 26-jarige ondernemer die onlangs een bedrijfje is begonnen dat websites bouwt. Salih herinnert zich de tijd, niet zo lang geleden, dat hij uren in de rij moest staan voor één brood? „En het was niet eens goed brood,” zegt hij. „thuis moesten we de vliegen eruit plukken.”

Jarenlang ging de Soedanese economie gebukt onder een driecijferige inflatie, wegkwijnende industrieën en oorlog (zie: Amerikaans handelsembargo sinds 1997). Maar in 1999, toen de eerste druppels olie uit Port Sudan aan de Rode Zee begonnen te stromen, keerde het tij voor de Soedanese economie. Een klein kader van in het Westen opgeleide technocraten had de hervormingsprogramma’s van het IMF tot in detail uitgevoerd – bezuinigingen, de privatisering van staatsondernemingen, de verlaging van de inflatie en de uitbouw van de infrastructuur.

„Het was een klassiek conservatief economisch beleid”, zegt Safwat Fanous, voorzitter van de faculteit voor politieke wetenschap aan de Universiteit van Khartoum. „En het werkte.” Zelfs Wereldbankeconomen waren onder de indruk. „De mensen die de economie beheren zijn heel erg goed en behoren tot de beste van Afrika”, zegt Asif Faiz, een manager voor de Wereldbank in Soedan. Maar, zo voegt Faiz eraan toe, ze moeten méér doen om de rijkdom naar landelijke gebieden te verspreiden en zich ook op de armen richten. In het buitenland wonende Soedanezen begonnen terug te keren, aangetrokken door de nieuwe mogelijkheden – en nieuwe werkelijkheid.

„Als je dezer dagen een bankrekening in Amerika wilt openen, is dat niet zozeer moeilijk, maar zelfs onmogelijk”, zegt Ahmed Amin Abdellatif, een 33-jarige aan de Universiteit van Cambridge opgeleide tycoon, die in een Porsche SUV door de stoffige straten van Khartoum rijdt en een imperium van elektronicawinkels leidt. Hij zegt dat de antiterreurwetten in het Westen het voor hem als Soedanese burger heel moeilijk maakten om zaken te doen. „Waarom zou je je al die moeite getroosten?” zegt hij. „Waarom investeer je je geld dan niet ergens waar het welkom is?”

In 2002 openden Soedanese investeerders een Coca-Colafabriek, waarvoor de siroop legaal naar Soedan werd geëxporteerd op grond van een amendement dat voedsel en medicijnen aan het embargo onttrekt. De fabriek van 140 miljoen dollar produceert honderdduizend flessen Coca-Cola, Sprite en Fanta per uur, en de eigenaren hebben zelfs een liberaal werkgelegenheidsbeleid ingevoerd, dat dove vrouwen een baan aan de lopende band geeft. Nieuwe, soortgelijke investeringen veranderen de skyline van Khartoum. Vier jaar geleden begon de Libische regering met de bouw van een vijfsterrenhotel van vier verdiepingen aan de oevers van de Nijl. Het hotel is bijna af en baadt in een luxe die in Soedan tot nu toe ongekend is – het heeft een binnenzwembad, squashbanen, een espressobar en een kuurcentrum. In 2004 opende het eerste winkelcentrum zijn deuren in Khartoum.

In 2005 hoopten veel mensen dat de Amerikaanse sancties zouden worden opgeheven en dat de economie aan snelheid zou winnen, nadat de Soedanese leiders, op instigatie van Amerikaanse bemiddelaars, vrede sloten met de zuidelijke rebellen. Maar tegen die tijd woedde het conflict in Darfur al en bekoelden de relaties met de Verenigde Staten alleen maar verder. „Wij hadden het gevoel dat de Amerikanen ons hadden verraden”, zegt de Soedanese minister van Buitenlandse Zaken Lam Akol. Maar Soedan had toen al geleerd op het Oosten te vertrouwen, en de economie had dankzij de olie-export een stabiel eigen tempo ontwikkeld. De inflatie bedraagt nu 6 procent; de investeringen en de ontwikkeling strekken zich nu buiten de stedelijke agglomeratie van Khartoum uit naar de centrale landbouwgordel van Soedan, een gebied dat rijk is aan graan en katoen, en dat van oudsher de motor van de nationale economie is geweest, en naar Juba, de belangrijkste stad in het zuiden.

Maar Soedan is een groot land, het grootste van Afrika, met bijna 2,6 miljoen vierkante kilometer. Enorme lappen grond, in alle richtingen, worden genegeerd, en de toenemende standsverschillen kunnen voor nog meer onrust zorgen. Opstandelingen in Darfur en elders, die graag een graantje zouden willen meepikken van de oliewinsten en deel zouden willen hebben aan de macht, vormen een ander probleem.

Leiders uit het bedrijfsleven zeggen dat het grootste gevaar is dat de Verenigde Staten erin slagen de handelspartners van Soedan in Azië en het Midden-Oosten ervan te overtuigen om zich bij de boycot aan te sluiten. „De Amerikanen vormen geen bedreiging, maar als de internationale gemeenschap zich tegenover ons opstelt, is dat een andere zaak”, zegt Osama Daoud Abdellatif, bestuursvoorzitter van de DAL Group, een conglomeraat dat eigenaar is van de Coca-Colafabriek, het Ozon Café en andere bedrijven. „Alles is heel goed gegaan, maar Darfur kan het feestje verpesten.”

© The New York Times 2006, vertaling Menno Grootveld

    • Jeffrey Gettleman