Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Boeken

Wat er staat als er niets staat

Een omvangrijke studie probeert de vinger te leggen op de betekenis van het wit tussen de letters van een gedicht. Dichter Tonnus Oosterhoff las het boek, zag hoe Kouwenaar struikelt, hoe Van Ostaijens café verlaten volstroomt en hoe Hans Faverey een pak krijgt aangemeten.

Mozaiek van wit marmer
Mozaiek van wit marmer

Yra van Dijk: Leegte, leegte die ademt. Het typografisch wit in de moderne poëzie. Vantilt, 444 blz. € 29,90

In zijn gedicht ‘parkwandeling’ uit de bundel totaal witte kamer schrijft Gerrit Kouwenaar niét:

Zo betrapt men de jaren, levensloop, ademnood,

voetstap na voetstap, verloren, ontlopen

maar hij schrijft:

Zo betrapt men de jaren, levensloop, ademnood, voet

stap na voetstap, verloren, ontlopen

Na regel één in de niet geschreven regels, na ‘ademnood,’ is het papier gewoon blank. In het wel geschreven gedicht, dus na ‘voet’, lijkt het wel of een wolkje superwit op de bladzij gespoten is. Geen rustig, leeg wit overigens: door dat ‘voet’ op regel één is de pas van het gedicht onregelmatig geworden, er wordt bijna gestruikeld, uitgehijgd. Hier is een oud iemand aan het wandelen, die merkt dat het niet gemakkelijk meer gaat.

Frank Koenegracht schrijft in ‘Alles valt’, uit de bundel Vroege sneeuw:

Verschoor en ik zagen in de winter

een man die de waarheid sprak

door een versterker zo groot

als een klein kacheltje en zei

‘Wat baat u goud wanneer uw

ziel van ijzer is.’ Alles valt.

[..]

Hier is het opvallende juist een ontbreken van wit. Je zou verwachten:

‘Wat baat u goud wanneer uw

ziel van ijzer is.’

Alles valt.

Misschien misstaat zelfs een peinzende witregel niet tussen de anekdote en de belangrijke algemene mededeling, die maar een los verband met het voorgaande heeft. Maar nee, Koenegracht laat ‘Alles valt’ expres met de deur in huis vallen. Met groot effect: opeens is het grappig, schokkend en zeer waar.

Zou Kouwenaar bij het dichten eerst de zin met ‘ademnood,’ hebben laten eindigen en opeens tot zijn radicale enjambement (midden in een woord de regel afbreken) hebben besloten? En heeft Koenegracht ‘Alles valt.’ eerst netjes op een nieuwe regel gezet en beviel het niet en kwam hij toen op het lumineuze idee om dat zinnetje achter ‘ziel van ijzer is.’ te proppen?

Ik zie het zo voor me, al is het speculatie. Wel weet ik, ook uit eigen praktijk, dat het heerlijk werk is, dat schuiven met wit en regeltjes. Dat je van iets gewoons iets bijzonders kunt maken, maar ook de boel kunt bederven. Wit is belangrijk voor dichters, ze zijn er altijd mee aan het spelen.

Daarom was het een gelukkig idee van Yra van Dijk, neerlandica en recensente van deze krant, om de ruimte rond de tekst tot onderwerp van studie te maken. In een fors proefschrift, Leegte, leegte die ademt heeft ze geprobeerd een theorie van het typografisch wit te ontwikkelen. Ze begint, zoals dat in dissertaties gebruikelijk is, met een overzicht van hoe er door de eeuwen heen over het verschijnsel gedacht is, en hoe dat denken zich mengt met literatuurtheoretische inzichten. Het wit krijgt zware betekenissen: het is een zwijgen, een wijzen naar het Onnoembare, een soort mystieke leegte; het kan de verbeelding zijn van de ontoereikendheid van taal; en het zou de voorstelling van de tussenruimte zijn, die literatuur zou zijn tussen de werkelijkheid en ‘het Andere’.

Moeilijke concepten. Vooral de idee van die tussenruimte, ontwikkeld in de Franse filosofie, gaat mijn voorstellingsvermogen te boven. Als Blanchot en Derrida met een gedachte aan de haal gaan, dan ziet men die meestal niet meer terug. Van Dijk doet haar best om hun opvattingen helder weer te geven, maar verzucht aan het eind van het inleidende hoofdstuk: ‘De meeste woorden van de wetenschapper zijn te zwaar voor de lichtheid van het wit.’

Dan wordt het boek concreter. Van Dijk ontwikkelt haar theorie door observaties aan de moderne poëzie zelf, die van Stephane Mallarmé, J.H. Leopold, Martinus Nijhoff, Paul van Ostaijen, Paul Celan en Hans Faverey. Ze onderscheidt een tiental functies, die ze illustreert aan hun werk. Dat van Van Ostaijen blijkt bijvoorbeeld, niet geheel verrassend, een Fundgrube voor de ‘iconische’ functie, waarin wit wordt gebruikt om een concrete gedachte uit te beelden:

de bar was leeg

[complete pagina wit, onderaan]

en vol mensen.

Een paar andere mogelijkheden: wit kan worden gebruikt om iets over het dichten zelf te zeggen, de ‘poëticale’ functie; het kan naar iets hogers wijzen, of de afwezigheid ervan, de al eerder genoemde ‘metafysische’ functie, maar ook een afwezigheid van betekenis uitdrukken, dan wordt het een ‘verdwijnplek’, de term is van Faverey. Het kan een ‘temporele’, een ‘ritmische’ of een ‘grammaticale’ functie hebben. En zo verder.

De concepten zijn vanuit verschillende systemen gedefinieerd, soms naar hun werking, soms naar de achterliggende filosofie, soms meer ad hoc vanuit de interpretatie van het besproken oeuvre. Van Dijk doordenkt haar criteria namelijk voor elke besproken dichter opnieuw. In Nijhoffs werk onderscheidt Van Dijk twee of misschien drie soorten ‘poëticaal wit’, die echter niet formeel van elkaar en andere functies waar Nijhoff óók gebruik van maakt, gescheiden worden. Want ook andere categorieën, zoals het ‘tussenruimtewit’ hebben volgens haar een poëticaal aspect; de boel loopt dus een beetje door elkaar.

Van Dijks keuze om het onderwerp in ieder hoofdstuk vanuit een nieuwe interpretatie op te bouwen maakt dat de theorie nogal tentatief blijft, niet strak in het pak komt te zitten. Dat is vanuit een literatuurtheoretisch oogpunt te betreuren. Maar dezelfde keuze stelt de auteur in staat over elk werk te spreken in de termen die het nodig heeft. Als ze observeert: ‘Soms stroomt er licht van bovenaf in Nijhoffs sonnetten, licht dat valt uit het typografisch wit’, dan is dat nauwelijks een objectieve, controleerbare uitspraak, maar je ziet het wel voor je en het is het begin van een mooie typering van Nijhoffs werk.

Moet secundaire, interpreterende literatuur harde wetenschap zijn? Is het genre niet eerder te vergelijken met het zingen van de tweede stem? De hoofdmelodie, die van het kunstwerk, wordt omspeeld door een tweede en krijgt daardoor perspectief en diepte. De schrijvende lezer moet precies zijn, maar het is eerder de zuiverheid van de samenzang die hij zoekt dan de onpersoonlijke en omgevingsimmanente nauwkeurigheid van de wetenschap.

Dit tweede stem zingen doet Yra van Dijk het zuiverst en rijkst in het hoofdstuk over Hans Faverey. Ze heeft duidelijk affiniteit met de paradoxen van deze taalavonturier, die tijd wil bewaren, beweging bevriezen, voortgang herhalen. Zie eens hoe mooi ze, in een betoog waarin ze uitlegt dat Faverey soms een zen-achtige ‘Ja-ervaring’ verwoordt, een fragment van de dichter behandelt:

‘Ik heb de indruk dat Favereys poëzie [..] af en toe raakt aan dat moment – alleen eerder in de witregels dan in de tekst. Bijvoorbeeld in de velden van wit die de op zichzelf staande, niet-talige dieren, bomen of mensen omringen:

[..] Als ik in mijn kamer zit

en ik wil bladeren horen,

moet ik aan populieren denken

of populieren gaan horen

daar waar ze zijn.

[..]

De bomen staan in een leeg veld van wit – dat daarmee gevuld wordt met hun ruisen en met hun ‘zijn’. Zo bezielt Faverey zijn leegtes, niet met God, maar met ‘goddelijke dingen’ als kastanjebomen, populieren, ijsvogels of geliefden.’

Het is net of de elders soms moeizaam geformuleerde witfuncties in dit hoofdstuk meezingen met het werk zelf. Ze passen Faverey, die natuurlijk een groot en zeer bewust speler met wit was, als een maatpak. Je zou denken dat Van Dijk haar categorieën voor hem heeft ontworpen en gesneden. Omdat het hem zo prachtig stond probeerde ze het kostuum vervolgens als confectie op de markt te brengen. Maar elke dichter heeft zijn eigen pasvorm en er moest heel wat verknipt en versteld worden.

Of Yra van Dijk een analyse-instrumentarium heeft ontworpen dat de eeuwen zal doorstaan, dat betwijfel ik. Maar door zuiver tweede stem te zingen heeft ze toch bereikt wat ze wilde. Het is wellicht overdreven om haar nu de Isaäc Newton van de letteren te noemen. Maar er is een gelijkenis: zoals hij demonstreerde dat wit licht het hele spectrum van de regenboog bevat, zo heeft Van Dijk laten zien hoe veelkleurig het wit in de moderne poëzie is.