Onze Henk in de grote wereld

Telkens als ik lees dat er weer een legercommandant, of een generaal (als het een Nederlander is vecht hij niet, maar werkt hij bij Clingendael), of een nog overal gerespecteerde ex-diplomaat, de moed heeft opgegeven als het om Irak en Afghanistan gaat – moet ik aan onze Henk Kamp denken.

Daarom denk ik de laatste weken vaak aan hem.

Weet u nog ergens hoge militairen, waarnemers, ministers of soldaten te vinden die omtrent Irak en Afhganistan de moed niet hebben opgegeven? Volgens mij sta je dan internationaal al bijna voor gek.

Dan maar voor gek, hoor je onze dappere Henk denken.

In de International Herald Tribune schreef Maureen Dowd gisteren over de aanstaande Amerikaanse Congresverkiezingen een column waarin de eerste zin luidde: „Voor de Republikeinen ziet het er zo slecht uit dat zelfs Bush bezig is afstand van Bush te nemen.” Tweede zin: „De president kondigde aan niet langer stug te zullen doorgaan met de strijdkreet Stug Doorgaan.”

Naast de column stond een politieke prent afgedrukt. Je zag Bush achter z’n bureau zitten. Hij had een stuk papier in de hand met de slagzin Stay the Course. Gekweld riep hij uit: „Miljarden verspild, honderdduizenden doden, een land in chaos …Ik kan er niet langer omheen, wat we nodig hebben is een nieuwe slogan!”

Niemand gelooft meer in een herrezen, wuft Bagdad, zoals het er in de achtste eeuw onder Haroen al-Rasjid bijgelegen moet hebben. Of in een Kabul waar de democratische joods-christelijk-humanistische traditie van Geert Wilders je uit de kleinste steegjes tegemoet komt.

Somberheid heerst alom. NAVO-topman James Jones („de wederopbouw van Afghanistan verloopt veel te traag”), voormalig Zweeds wapeninspecteur Hans Blix („als we Saddam hadden laten zitten was dat niet leuk geweest voor het Iraakse volk, maar wat we nu zien is zonder enige twijfel veel erger”), Thomas Friedman („we staan voor het Iraakse Tet-offensief”) of de Engelse bevelhebber David Richards („als we de Afghaanse economie niet snel weten te herstellen, loopt 70 procent van de Afghanen straks weer achter de Talibaan aan”) – wie niet?

Onze Henk niet.

Laatst hoorde ik hem nog geïnterviewd worden door een verslaggever die zich afvroeg of onze jongens en meisjes in de komende twee jaar werkelijk kans maken om in Uruzgan al is het desnoods maar één waterput te slaan.

Ik deelde de journalistieke scepsis. Als een cameraman daar even niet hoeft terug te schieten en een shot naar huis weet te sturen, zie je onveranderd het beeld van een bruine steenwoestijn waar je volgens mij sowieso al geen houweel doorheen krijgt, en met op de achtergrond bovendien louter Talibaanbergen. En als je dan terugdenkt aan de moderne Afghaanse geschiedenis – van de eerste slag aan de Kyberpas (1838) tot aan de mujahedeen tegen de communisten (1979-1989) – weet je absoluut zeker: hier zal nooit een druppel water opborrelen.

Maar Henk is overtuigd van wél.

Zou hij het geloven, of zou hij het weten?

Hij heeft in z’n houding iets van een strenge ouderling, dat wel. Maar als hij praat heb je altijd het gevoel dat hij zich vanaf maart 2003 – toen Bush nog helemaal achter zichzelf stond en zijn frische und fröhliche oorlogen in het Midden-Oosten begon – tot in de kleine détails niet alleen in de krijgskunde, maar ook in de Afghaanse en Iraakse taal- en letterkunde, de islam, de potentiële waterputten en de plaatselijke dorpssanering heeft verdiept, om de Amerikaanse president eeuwig ter wille te kunnen zijn.

Bondgenoot!

Telkens als ik onze Henk – stay the course – zijn rug recht zie houden, denk ik bij mezelf: Maureen Dowd, James Jones, Hans Blix, Thomas Friedman en David Richards weten van toeten noch blazen.

Lees alle eerdere columns op www.nrc.nl/blokker

    • Jan Blokker