Na de houthaktijd

Bomen doen weinig om je aandacht te trekken. Hun aanwezigheid lijkt vanzelfsprekend. Deel vier van een nieuwe serie.

„...Volop mos, volop dood hout, volop adelaarsvaren...” Foto Sake Elzinga Nederland - Drenthe - 25-10-2006 Illustratie bij verhaal Koos van Someren. ' Na de hakhouttijd' Adelaarsvaren. 'Volop dood mos, volop doodhout, volop adelaarsvaren.' Foto: Sake Elzinga Elzinga, Sake

Hier, zegt Rienk-Jan Bijlsma, is altijd bos geweest. Hier, het Asselt, een prettig stuk bos op de Veluwezoom, even ten oosten van de Posbank.

Het prettige van dit bos is het open en zonnige karakter ervan. Het herfstlicht strijkt er in brede banen in neer. Volop mos, volop dood hout, volop adelaarsvaren – een zee van groen die in juli opstijgt uit oeroude wortelstokken, in september de kleur van tabak aanneemt en dan wat treurig weer wegzijgt in de bodem. Vreemd spul. Waar het staat blijft het staan, waar het niet staat kómt het ook niet.

Hier staat het onder opgaande eiken gemengd met opgaande berken. Je ziet dat deze eiken jeugdig en vitaal zijn en deze berken, bij gelijke dikte en hoogte, toch al in hun nadagen. Je ziet ook het verschil in worteling: een berk die bij zijn leven met kluit en al tegen de grond is gegaan, terwijl de stomp van een allang gestorven eik nog fier overeind staat (tot hij door de wilde zwijnen wordt omgewoeld).

„Dit was van kasteel Middachten”, zegt Bijlsma. „Dit werd sinds de Middeleeuwen gebruikt als hakhout.”

Een jonge boom werd laag afgehakt en als dat met verstand van zaken gebeurde, wat kennelijk het geval was, vormde de stoof nieuwe loten. Daarvan kon op gezette tijden weer worden geoogst. Eikenschors voor de leerlooierij, berkentwijgen voor de bezembinderij, en brandhout natuurlijk – je hebt geen idee hoeveel brandhout de mensen nodig hadden.

Dit moet een profijtelijke vorm van bodemgebruik zijn geweest. Dit bos werd met een aarden wal beschermd tegen loslopende schapen en stuivend zand uit de omgeving. Dit bos stond op uitstekende grond, voormalige rivierbodem die tijdens de voorlaatste ijstijd door gletsjers tot deze hoogte is opgestuwd. Bijlsma bukt zich om er wat van in zijn hand te nemen. Lemig. Arm aan voedingsstoffen, maar rijk aan water.

In 1919 werd het terrein verworven door Natuurmonumenten. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is er voor het laatst gekapt. We zien bos dat zeker zestig jaar met rust is gelaten. We zien sporen van het oude gebruik: veel meerstammige bomen, overal scheve voetjes, hier en daar een stam die opvallend dunner (jonger) is dan zijn onderstel – net een boom met een ingesnoerde taille.

Beuken, die notoire ruimteverslinders, zijn altijd uit dit stuk bos geweerd. Nu staan er aan de rand wel een paar te popelen om het gebied binnen te dringen, maar dat wordt door de adelaarsvaren verhinderd. Deze varens, hier op sommige plaatsen manshoog, laten in de zomer geen zonlicht door en vergiftigen in de winter de bodem met hun afbraakproducten.

Zo is dit bos veilig voor verbeuking. Maar zo wordt tevens de verjonging van berk en eik verhinderd. (En nu vraag je je opeens af hoe dit bos dan kan bestáán. Wel, in de hakhouttijd was het veel dichter en donkerder, waardoor de varens niet zo konden uitgroeien. Bovendien was er dat directe menselijke ingrijpen: varens konden worden gemaaid en afgezet, boompjes geplant en verzorgd.)

Kijk maar om je heen – geen zaailing te bekennen. Wat zie je dan voor toekomst?

„Berken die een voor een uitvallen”, zeg ik, „en steeds dikkere eiken die steeds verder uit elkaar komen te staan?”

„Een parklandschap”, zegt Bijlsma. „Best mogelijk.”

„Tot ze vierhonderd jaar oud zijn?”

„Nou, we weten niet precies wat het hakhoutbeheer met hun wortelstelsels heeft gedaan. Misschien staan ze niet zo stevig als zou moeten.”

„Goed. Geen vierhonderd jaar, driehonderd. En dan? Waar is dan het wachten op? Op een geweldige storm die alles in één keer tegen de vlakte gooit?”

„Maar zelfs dan”, zegt Bijlsma, „heb je die varens nog. Die dekken de bodem volledig af. Misschien gaat het hele zaakje dan langdurig op slot.”

Samenvattend: voor de berken die er staan is dit een oud bos, voor de eiken die er staan is dit een jong bos, voor de varens die er staan is dit een bos dat ze wel aankunnen, en voor ons, die hier tenslotte ook staan, is dit een bos dat nog te raden overlaat.

Dr. R.-J. Bijlsma – onderzoeker bosecosystemen bij Alterra in Wageningen.

    • Koos van Zomeren