Islam vóór de homo’s

Khaled el-Rouayheb: Before Homosexuality in the Arab-Islamic World, 1500-1800. University of Chicago Press, 210 blz, € 32,–

Er bestaan twee beelden van de islamitische wereld. Een klassiek beeld van een oord van openlijk beleden, vrije of betaalde, homofiele liefde en dat van recente, even openlijke homofobie. Een boek waarin wordt gepoogd om met deze tegenspraken in het reine te komen is Khaled el-Rouayhebs, Before Homosexuality in the Arab-Islamic World. Zijn antwoord is even simpel als verrassend: vóór 1800 bestond in de islamitische wereld homoseksualiteit helemaal niet. Er was geen juridische of andere uitdrukking die alle homoseksuele gedragingen, en alleen die, omvatte. Liwaat was een juridische notie die op een strafbare daad van pederastie of verkrachting duidt. Ubnah daarentegen was een medische term die duidde op verwijfde mannen met een voorkeur voor passief anaal verkeer – ongeacht hun feitelijke gedrag. Dat is geen onbekend verhaal voor degenen die eerdere studies als Michel Foucaults Geschiedenis van de seksualiteit en Kenneth Dovers Greek Homosexuality kennen; maar het is wel belang voor de huidige discussies over de islam.

De klassieke islamitische wereld stond niet speciaal toleranter tegenover homoseksuele handelingen dan de hedendaagse. El-Rouayheb toont, aan de hand van een imposant aantal juridische en literaire teksten, aan dat niet al zulke praktijken even tolerant werden behandeld. Liwaat werd sterk veroordeeld, en dikwijls streng bestraft, maar vooral omdat het hier om gedwongen seks ging. Ubnah was meer een bron van sociale afkeuring dan van juridische veroordeling.

Weer iets anders was verliefdheid op baardeloze knapen, en het bezingen van die liefde in gedichten. De meeste rechtsgeleerden beoordeelden dergelijke aandriften en handelingen als natuurlijk, en daarom als niet strafbaar of verwerpelijk. Sommigen van hen componeerden zelf dergelijke verzen. Zo dichtte een 18de-eeuwse rector van de Azhar-universiteit, nu een bolwerk van zwartekousenislam: ‘Het is mijn credo om het schone te beminnen; en telkens als er een gazelle verschijnt, bemin ik hem vanaf de eerste aanblik.’ Elke lezer begreep wat voor gazellen hij bedoelde.

In de Arabische wereld raakte een meer ondubbelzinnige veroordeling van alle vormen van homoseksualiteit pas in de 20ste eeuw in zwang. In zijn slotbeschouwing verklaart el-Rouayheb deze verandering, iets te snel, uit het overnemen van idealen van Victoriaanse preutsheid door verwesterde moslimelites. Maar waarom zijn zulke idealen dan ook doorgedrongen in anti-westerse kringen, of die nu communistisch of islamistisch waren?

Waarschijnlijker is misschien dat deze nieuwe waardering van homoseksualiteit samenhangt met de vorming van nieuwe nationale staten, culturen en literaturen, en met daarmee veranderende visies op moraliteit en seksualiteit.

    • Michiel Leezenberg