Het bloemenprimaat

Rozen, gerbera’s en andere bloemen die Nederland als land beroemd hebben gemaakt, en die om die reden een plekje zouden verdienen in de zojuist verschenen historische canon, zijn niet langer een puur vaderlandse aangelegenheid. Holland wordt met een van zijn eigenste producten beconcurreerd vanuit het buitenland, zoals in een tijd van mondialisering van de economie te verwachten valt. Concurrentiebestrijding is dan ook de belangrijkste reden van de voorgenomen fusie van twee coöperatieve bloemenveilingen, FloraHolland en Aalsmeer, tot de grootste ter wereld. Dat laatste zegt op zichzelf weinig. Het sterk veranderende ondernemingsklimaat biedt geen garantie dat schaalvergroting automatisch tot hogere rendementen leidt. Fusies kunnen wel kostenbesparingen opleveren. De vrees voor banenverlies door het schrappen van dubbele functies is in dit geval terecht.

De buitenlandse concurrentie is overigens zo buitenlands nog niet. Het gaat in veel gevallen om Nederlanders die zich in onder andere Afrikaanse landen hebben gevestigd om daar, niet gehinderd door hoge loonlasten en Europese (milieu)voorschriften, bloemen voor de export te kweken. Hun producten worden niet per se via veilingen verhandeld, maar gaan ook wel direct van kweker naar eindafnemer. De handel is vrij, uiteraard, maar het is evident dat vooral door omzeilde regelgeving sprake kan zijn van valse concurrentie. Wat de veilingfusie hieraan verandert, is onduidelijk.Het samengaan van de veilingen moet de positie van de Nederlandse sierteelt verbeteren. De schaalvergroting zou moeten leiden tot betere afzetmogelijkheden, scherpere tarieven, standaardisatie en lagere kosten. Het is de vraag of het niet te laat is. En of het veilingsysteem en de ingewikkelde coöperatieve structuur nog wel zijn toegesneden op de eisen die een internationale markt stelt. Het is niet voor niets dat buitenlandse bloemenkwekers veilingen veelal links laten liggen. Van een paar honderd meepratende leden hebben ze ook geen last. Dat versnelt de besluitvorming aanzienlijk.Het buitenland heeft het Nederlandse bloemenkunstje ontdekt. Kenia, Israël, Spanje, Zuid-Afrika en andere landen blijken goed in staat met eigen sierteeltproducten de markt te bekoren. Nederland zal het met zijn bloemen vooral van kwaliteit, marketing en innovatie moeten hebben. En van een soepele logistiek. Dat producten in bulkhoeveelheden steeds vaker uit het buitenland komen, is niet tegen te houden. Maar Nederlandse kwekers dienen zich kwalitatief te onderscheiden, niet alleen met de beste en nieuwste producten – waarin de sector vanouds excelleerde – maar ook met eigen verkoopdiensten en transport op maat. Nu maar hopen dat de leden van de coöperaties met de fusie instemmen. En dat het samengaan de zegen krijgt van de kartelautoriteiten. Tempo is geboden; de markt is ongeduldig en aast op verdere aantasting van dit oude Nederlandse primaat.De buitenlandse concurrentie is overigens zo buitenlands nog niet. Het gaat in veel gevallen om Nederlanders die zich in onder andere Afrikaanse landen hebben gevestigd om daar, niet gehinderd door hoge loonlasten en Europese (milieu)voorschriften, bloemen voor de export te kweken. Hun producten worden niet per se via veilingen verhandeld, maar gaan ook wel direct van kweker naar eindafnemer. De handel is vrij, uiteraard, maar het is evident dat vooral door omzeilde regelgeving sprake kan zijn van valse concurrentie. Wat de veilingfusie hieraan verandert, is onduidelijk.

Het samengaan van de veilingen moet de positie van de Nederlandse sierteelt verbeteren. De schaalvergroting zou moeten leiden tot betere afzetmogelijkheden, scherpere tarieven, standaardisatie en lagere kosten. Het is de vraag of het niet te laat is. En of het veilingsysteem en de ingewikkelde coöperatieve structuur nog wel zijn toegesneden op de eisen die een internationale markt stelt. Het is niet voor niets dat buitenlandse bloemenkwekers veilingen veelal links laten liggen. Van een paar honderd meepratende leden hebben ze ook geen last. Dat versnelt de besluitvorming aanzienlijk.

Het buitenland heeft het Nederlandse bloemenkunstje ontdekt. Kenia, Israël, Spanje, Zuid-Afrika en andere landen blijken goed in staat met eigen sierteeltproducten de markt te bekoren. Nederland zal het met zijn bloemen vooral van kwaliteit, marketing en innovatie moeten hebben. En van een soepele logistiek. Dat producten in bulkhoeveelheden steeds vaker uit het buitenland komen, is niet tegen te houden. Maar Nederlandse kwekers dienen zich kwalitatief te onderscheiden, niet alleen met de beste en nieuwste producten – waarin de sector vanouds excelleerde – maar ook met eigen verkoopdiensten en transport op maat. Nu maar hopen dat de leden van de coöperaties met de fusie instemmen. En dat het samengaan de zegen krijgt van de kartelautoriteiten. Tempo is geboden; de markt is ongeduldig en aast op verdere aantasting van dit oude Nederlandse primaat.Het buitenland heeft het Nederlandse bloemenkunstje ontdekt. Kenia, Israël, Spanje, Zuid-Afrika en andere landen blijken goed in staat met eigen sierteeltproducten de markt te bekoren. Nederland zal het met zijn bloemen vooral van kwaliteit, marketing en innovatie moeten hebben. En van een soepele logistiek. Dat producten in bulkhoeveelheden steeds vaker uit het buitenland komen, is niet tegen te houden. Maar Nederlandse kwekers dienen zich kwalitatief te onderscheiden, niet alleen met de beste en nieuwste producten – waarin de sector vanouds excelleerde – maar ook met eigen verkoopdiensten en transport op maat.

Nu maar hopen dat de leden van de coöperaties met de fusie instemmen. En dat het samengaan de zegen krijgt van de kartelautoriteiten. Tempo is geboden; de markt is ongeduldig en aast op verdere aantasting van dit oude Nederlandse primaat.