De hemel brak krakend in stukken

Anton P. Tsjechov Foto Ullstein Bild ANTON CHEKHOV (1860-1904). Anton Pavlovich Chekhov. Russian writer. Ullstein bild

Anton P. Tsjechov: Verzamelde werken, deel 3. Verhalen 1887-1888. Vertaald door Tom Eekman, Aai Prins en Anne Stoffel. Van Oorschot, 618 blz. € 34,–

Om de kracht van het proza van Anton Tsjechov te begrijpen hoef je maar een citaat te lezen, niet geheel willekeurig gekozen uit de mini-novelle ‘De Steppe’ (1888). Zo beschrijft Tsjechov het begin van de tocht die de achtjarige Jegoroesjka in een wrakke brik gaat maken (in de vertaling van Aai Prins): ‘Na de gevangenis flitsten de zwartberoete smederijen langs, gevolgd door een gezellige groene begraafplaats en een stenen stapelmuurtje; achter dat muurtje staken vrolijke witte kruisen en grafstenen omhoog die, verscholen in het groen van de kersenbomen, van veraf op witte vlekken leken. Jegoroesjka herinnerde zich dat als de kersenbomen bloeiden, deze vlekken zich met de witte bloesems vermengden tot een witte zee; en als de kersen rijpten, waren de witte grafstenen en kruisen bezaaid met stippels zo rood als bloed.’

Subliem geschreven: de lezer ziet niet alleen meteen de begraafplaats voor zich, maar ook het perspectief van de achtjarige jongen en zijn onverwachte kijk op het leven: de begraafplaats is ‘gezellig groen’; de witte kruisen gaan in de lente op in een ‘witte zee’ alsof ze al halverwege de hemel zijn. En als de kersen bloeien worden ze bloed op de kruizen – een onvergetelijk beeld.

Zo vind je wel meer beelden en beschrijvingen bij Tsjechov, en het lijkt er zelfs op dat het er in dit derde deel van zijn Verzamelde verhalen nog meer zijn dan in de vorige twee, die respectievelijk de jaren 1880-1885 en 1885-1886 beslaan. Het ligt voor de hand daarin de nawerking te zien van de beroemde brief die hij begin 1886 ontving van de oudere schrijver Dimitri Grigorovitsj. Deze Grigorovitsj, tijdgenoot van Tolstoj en Toergenjev en bevriend met Dostojevski, bekent Tsjechov (die op dat moment pas 26 is en tevens werkzaam als huisarts) dat hij diep onder de indruk is van zijn verhalen en dat hij ervan overtuigd is dat Tsjechov ‘werkelijk’ talent bezit, dat hem ‘ver uitheft boven de kring van literatoren van de nieuwe generatie.’ De brief slaat in als een bom; dat jaar, 1886, zal het productiefste jaar van Tsjechovs leven worden, met 1887 daar vlak achter.

In dit derde deel van de Verzamelde verhalen staan maar liefst 51 verhalen uit dat laatste jaar. De kwaliteit is hoog, duizelingwekkend hoog, zeker als je die enorme productiviteit in aanmerking neemt. Tsjechov gaat duidelijk op zoek naar zijn literaire mogelijkheden; de verhalen verschillen meer in lengte (wat erop duidt dat hij ze niet automatisch meer schreef voor directe publicatie in tijdschriften als Scherven of De nieuwe tijd) en zijn weerbarstiger van toon en opzet, al schaamt hij zich nog steeds niet voor kluchtige tussendoortjes als ‘Uit de notities van een heetgebakerde man’ of ‘De wreker’, waarin een man een revolver wil kopen om zijn vrouw en haar minnaar mee te vermoorden en dan de winkel verlaat met een kwartelnet.

Tegelijk roept dit derde deel ook de vraag op wat Tsjechov wilde met zijn verhalen. Was hij (een jonge arts die de financiële zorg voor zijn familie droeg) vooral een broodschrijver die er langzaam achter kwam dat hij met een overdaad aan talent was gezegend, of reikten zijn ambities verder? Karel van het Reve heeft eens opgemerkt dat het Tsjechov in zijn eigen tijd vaak werd nagedragen dat hij in zijn werk geen ‘wereldbeschouwing’ uitdroeg. Dat vond Van het Reve onzin (en terecht), maar dat neemt niet weg dat je als lezer af en toe wel nieuwsgierig wordt naar de bodem onder deze virtuositeit. Natuurlijk, het is duidelijk dat Tsjechov er geen optimistisch wereldbeeld op na houdt: zijn verhalen lopen zelden goed af en zijn doordesemd van een sombere ondertoon – prachtig is in dit opzicht ‘In het koetshuis’ waarin drie mannen (onder wie een koetsier en de conciërge) en een kind vanuit het koetshuis de zelfmoord van hun baas becommentariëren. Op zulke momenten lijkt Tsjechov naar Zola-achtig naturalisme te neigen, maar tegelijk onttrekt hij zich daar aan doordat hij iedere vorm van moralisme mijdt.

Punt is: terwijl je leest blijf je vermoeden dat Tsjechovs pessimisme en alles wat maar enigszins naar een inhoudelijke bodem neigt, vooral voortkomt uit literair-technische motieven: dat ongeluk drama biedt, is bijvoorbeeld een les die Tsjechov bepaald niet heeft uitgevonden. Misschien is dat wel het bijzonderste aan dit werk: dat het ontbreken van die bodem uiteindelijk niet uitmaakt. Wie ze leest, verhaal na verhaal, ontkomt niet aan het vermoeden dat Tsjechov inderdaad die superieure broodschrijver was die we eigenlijk liever niet in hem willen zien. Geen man van ideeën en levensbeschouwingen, maar een schrijver die gelezen wilde worden, zonder voor zijn publiek op de knieën te gaan.

Dat biedt een even simpel als verhelderend inzicht: naar de norm van Tsjechov hoeven meesterwerken niet altijd te ontstaan volgens de romantische clichés van de lijdende kunstenaar, maar worden ze ook gewoon geschreven tijdens het reizen door, terwijl de dokterspraktijk gaande moet worden gehouden en de familie verzorgd – als je tenminste het talent hebt van Tsjechov. Sla ‘De Steppe’ nog maar eens op en lees de paginalange beschrijving van de verzengende onweersbui die op het vlakke land uitbreekt (‘Opeens brak pal boven zijn hoofd met een verschrikkelijk, oorverdovend gekraak de hemel in stukken; hij boog zich voorover en hield zijn adem in, verwachtend dat de scherven op zijn achterhoofd en rug zouden neerdalen.’) en besef dat Anton Tsjechov inderdaad een uniek en ‘werkelijk’ talent was. Honderddertig jaar later is daar nog niks aan veranderd.

    • Hans den Hartog Jager