Bush, Baker en Irak

Nieuws genoeg van het oostelijk front, maar voor president Bush zijn het niet de berichten waarnaar hij en zijn partij uitkijken. De rampzalige ontwikkelingen in Irak werpen in de Verenigde Staten een schaduw over de komende Congresverkiezingen, te houden op 7 november. Het oktoberoffensief tegen de Amerikaanse troepen in Irak maakte deze maand tot de dodelijkste van het jaar. De strategie van de Amerikanen en hun Iraakse partners in Bagdad is mislukt. De operatie ‘Samen Voorwaarts’ leidde tot meer in plaats van minder geweld. De oorlog in Irak duurt nu haast net zo lang als de Tweede Wereldoorlog voor de Verenigde Staten duurde, merkte een verslaggever gisteren op tijdens een persconferentie van president Bush. En de vraag luidde: „winnen we?”

Absoluut, zei Bush, we winnen. Maar de werkelijkheid is prozaïscher. Het geweld en het gebrek aan veiligheid leiden tot de conclusie dat winst en verlies in Irak holle begrippen zijn. De situatie is zo gecompliceerd en zo bedreigend voor de regio dat Washington de komende maanden niet alleen een nieuwe strategie voor Bagdad zal moeten ontwerpen, maar voor het hele land. Er zijn inmiddels signalen dat het Irak-beleid wordt herzien. Niet slechts cosmetisch en met het oog op de Congresverkiezingen, maar structureel. Van hoge militairen tot invloedrijke politici, van Democraten tot Republikeinen: het vertrouwen in het Irak-beleid van de president is zoek.

Bush is zo verstandig geweest een studiegroep voor Irak in het leven te roepen, onder leiding van de Republikeinse oud-minister van Buitenlandse Zaken James Baker III. Hij en zijn werkgroep, samengesteld uit Republikeinen en Democraten, moeten de regering na de verkiezingen adviseren over de te volgen koers in Irak. De politieke old hand James Baker diende vijftien jaar geleden onder Bush’ vader, die president was van 1989 tot 1993.

De benoeming van deze 76-jarige Texaan is een belangrijk signaal. Hij staat bekend als aanhanger van de diplomatieke school. Praten doet men met iedereen, ook met de vijand. Zijn aanpak is die van de goeie ouwe Realpolitik: praktisch, realistisch en zonder illusies. Het zou kunnen betekenen – Baker heeft hierop in interviews al voorzichtig gewezen – dat het aan de man brengen van democratie in Irak, en in het hele Midden-Oosten, geen doel op zichzelf is. En het kan betekenen dat naar Bakers advies gesproken dient te worden met de vijand: de sunnitische opstandelingen en de ‘sleutellanden’ Iran en Syrië; de ‘schurkenstaten’ van president Bush.

Terug naar de diplomatie. Het zou een verademing zijn. Het zou ook een trendbreuk zijn met alles waar Bush met zijn ideologisch bevlogen buitenlands beleid voor stond gedurende anderhalve presidentiële termijn. Maar dat het roer in Irak om moet, staat vast. Doorgaan op dezelfde weg leidt tot meer van hetzelfde – of erger. Niemand is daarbij gebaat, en het minst van al de VS. Een supermacht in supernood: zo ver mag het niet komen.