Hollands verstand en Hongaars gevoel

Maandag wordt herdacht hoe vijftig jaar geleden de Hongaarse opstand van 1956 begon – een opstand die na twee chaotische en euforische weken door het Rode Leger werd neergeslagen. 200.000 Hongaren sloegen op de vlucht. 3.000 van hen kwamen naar Nederland, zoals Tibor en Éva Csengö. Hun zoon András groeide op met Hollandse pindakaas, hagelslag en consensus. Toch volgde hij de omgekeerde weg, en vestigde zich in het politiek instabiele Hongarije. “Hier leef ik intens.” Net als András trekken veel ‘kinderen-van’ naar het land uit de dromen en nachtmerries van hun ouders.

Links: Russische tanks stellen zich in november 1956 op in Boedapest, rechts hetzelfde kruispunt nu Foto AFP This combo made 18 October 2006 shows Soviet army tanks taking position in Budapest 12 November 1956 (L) and the same place 50 years later. The Red Army, stationed in Hungary under the 1947 peace treaty, attacked and seized 12 November 1956 the Hungarian capital and crushed the anti-communist uprising. Hungary's main opposition conservative party said Tuesday it would partially boycott ceremonies marking the 50th anniversary of the 1956 uprising, thus torpedoing efforts to use the commemorations to bridge a bitter political divide. AFP PHOTO/INETRCONTINENTALE/ATTILA KISBENEDEK AFP

In de nacht van 5 november 1956 stak Éva Csengö met twee geweren over haar schouders en een riem met munitie om haar middel de Hongaars-Oostenrijkse grens over. Op de vlucht. Eerst naar een opvangkamp, daarna Wenen, en toen door naar Nederland. Éva: „In de absurde maanden die volgden voerden vreemden de regie over mijn leven.”

Ouders en vrienden, in Hongarije achtergebleven, wisten al die tijd van niets. „Pas in maart 1957 belde ik vanuit Nederland voor het eerst met mijn vader. Ik vroeg hem: zal ik terugkomen, of moet ik blijven?” Ook na een halve eeuw heeft ze het er nog altijd moeilijk mee. „Hoe kón ik hem met die vraag opzadelen? Maar hij gaf het antwoord van een vader die het beste wil voor zijn kind. Hij zei: Blijf.”

Inmiddels heeft haar in Nederland geboren zoon András zich als directeur van een bierbrouwerij in Hongarije gevestigd. Éva Csengö was „niet blij” met zijn beslissing. „Al die moeite die we hebben gedaan, om de kinderen in Nederland op te laten bloeien, ze kregen hier alles wat ze wilden. Anderzijds voel ik ook trots, dat hij naar het land van onze herkomst is gegaan.”

Gedurende het gesprek zoeken Éva (1935) en haar man Tibor Csengö (1933) herhaaldelijk naar elkaars handen. Een halve eeuw geleden maakten ze de vlucht in het donker samen, toen nog als verloofden. Tibor: „We sleepten met z’n tweetjes een kist vol granaten door de bossen. Die hebben we bij de Oostenrijkse grenswachters meteen ingeleverd.” Éva: „Kun je je voorstellen? Ik was 21, studente geofysica. Ik wist niet eens hoe je een granaat moest hanteren.”

Vijftig jaar wonen ze nu in Nederland. In de uitspraak van hun Nederlands zijn slechts kleine mankementen hoorbaar. „Dat sympathie, dat vriendelijkheid!”, herinnert Éva zich van de nacht dat ze, met honderden andere Hongaarse vluchtelingen, per trein op het station van Eindhoven arriveerden. „Ik hoor nog altijd dat schelle gerinkel bij de spoorwegovergangen, dat kenden wij niet. En op het perron wachtten honderden Nederlanders ons op. Ze juichten en klapten, ze reikten ons water en brood aan.”

Uit angst dat ze in verschillende opvanggezinnen werden geplaatst, traden Tibor en Éva in allerijl in het huwelijk. Op 1 december 1956 prijkte op de voorpagina van De Volkskrant een foto van de huwelijksplechtigheid van de Csengö’s en drie andere Hongaarse stellen. Tibor: „We waren in de war, droevig. Om het toch dragelijk voor ons te maken had men het kasteel in Zeist afgehuurd, waar na de plechtigheid optredens waren van Jules de Corte en een Nederlands studentenzigeunerorkest.”

Vissoep

Met een schaterlach en zelfverzekerde tred loopt András Csengö, de zoon van Tibor en Éva, over het terrein van de Pécsi Sörfözde, de oudste bierbrouwerij van Hongarije in de zuidelijke stad Pécs. Sinds twee jaar is hij er directeur, met als opdracht: de brouwerij uit de rode cijfers helpen. „Vanaf aanvang heb ik tegen iedereen gezegd: er wordt met mij alleen maar Hongaars gesproken. Ik ben geen expat, maar één van jullie.” Dat zijn vrouw en drie kinderen zijn meegekomen geeft hem extra krediet. En hij kan vissoep maken. „Nederlandse mannen bakken er in de keuken weinig van, en hun Hongaarse collega’s doen het al niet veel beter,” zegt András Csengö. „Maar één ding kan iedere Hongaarse kerel: vissoep maken. En allemaal, dus ook ik, beweren ze dat ze de beste vissoep ter wereld maken.”

András (42) groeide op met pindakaas en hagelslag. „En met die typische Hollandse consensus, tot op het saaie af. In Nederland wonen verwende mensen, met zorgen over zaken als levensloopregeling. Ze beseffen niet dat ze in een sociaal paradijs wonen. Hier in Hongarije gaat het om overleven, nog steeds.”

András is een van de vele ‘kinderen van ’56-ers’ die na de omwentelingen in 1989 de omgekeerde weg volgden. Ze trokken naar het land uit de dromen en nachtmerries van hun ouders. Ook veel kinderen van oude adel, die onder het communisme werd onteigend, kwamen met kapitaal en ondernemingszin naar Boedapest om er bedrijven op te zetten. Zeker in de eerste helft van de jaren negentig werden ze met open armen ontvangen. De Hongaarse taal spraken ze al, dat was immers binnen de familie in Nederland de voertaal. Verder namen ze hun westerse manier van denken mee, waarmee ze bijdroegen aan een nieuwe dynamiek waar Hongarije behoefte aan had.

„Maar de ’56-ers zélf, die na de wende naar Hongarije terugkeerden, hadden minder succes”, zegt Enikö Gaál, docente aan de Nederlandse vakgroep van de Károli Gáspár-universiteit. Ze werkt aan haar proefschrift over emigratie. Gaál: „Pogingen van vluchtelingen die terugkeren om hier een positie in zakenleven of politiek in te nemen mislukken vaak. De ’56-ers worden toch gezien als een soort verraders die hun land in een moeilijke tijd in de steek hebben gelaten.”

Er wonen in Hongarije tegenwoordig naar schatting 3.000 Nederlanders, de meesten geboren uit ’56-ouders. Ze ontmoeten elkaar op bijeenkomsten van de Nederlands-Hongaarse Kamer van Koophandel en tijdens avondjes georganiseerd door de Nederlandse Club. De meeste van hun kinderen volgen extra lessen op de Nederlandse Taal en Cultuurschool.

Tegen de wand in het statige appartement van Lóránt Lakatos hangen parafernalia uit de Nederlandse voetbalcompetitie. Affiches van wedstrijden van FC Den Bosch. „Ik heb nog samen met Pierre van Hooijdonk gespeeld”, zegt Lakatos (34), vicevoorzitter van de Nederlandse Club in Hongarije. Hij is manager bij Duna Incentives & Events dat trainingen en evenementen verzorgt voor het bedrijfsleven.

Zijn Hongaarse vader kreeg na aankomst in ’56 in Nederland werk bij de Utrechtse staalfabriek Demka. Lakatos: „Hongaarse jongens zoals mijn vader werkten keihard, ze kochten motoren en waren als exotische exemplaren geliefd bij de Hollandse meiden. Pa trouwde, ik en mijn broer werden geboren, maar na een paar jaar strandde het huwelijk.” Een botsing van culturen, verklaart Lakatos het achteraf. „Voor mijn moeder, een Nederlandse, was alles komen aanwaaien. Mijn vader had overal voor moeten vechten. Eerst werken, en dan pas een beetje genieten, was zijn credo.”

Tijdens zijn jeugd in Nederland voelde Lakatos zich ingeklemd tussen die twee culturen. „Bij ma en haar vrienden leerden we de Hollandse vrijblijvendheid en individualiteit kennen. Bij pa, wiens sociale leven zich afspeelde in de Hongaarse gemeenschap in Nederland, was saamhorigheid heilig.”

Na zijn studie logistiek en economie aan de Arnhemse hogeschool vertrok Lakatos in 2004 naar Hongarije. „Op mijn tiende wist ik al dat ik op een dag zou gaan. Hoewel mijn vader het in zijn hart vast mooi zal hebben gevonden, zou hij het met zijn verstand hebben afgekeurd. De ’56-ers hebben moeten knokken om voor zich zelf en hun kinderen een veilig bestaan in Nederland op te bouwen. Ze raakten gewend aan de verzorgingsstaat. En wat doen vervolgens hun kinderen? Die gaan een ongewis avontuur tegemoet in het land waaruit zij destijds zijn gevlucht! In de ogen van onze ouders gooien wij iets moois weg.”

Corruptie

Vader Tibor Csengö maakte na 1956 met steun van het Nederlandse Universitair Asielfonds zijn studie geofysica af en trad in dienst bij de waterleidingmaatschappij in Drenthe. „Ik werkte er dertig jaar, met veel plezier. Mijn zoon András is een heel ander type. Hij is impulsief en extravert, en daarmee kun je in een land als Hongarije flink je hoofd stoten.”

Bij zijn vertrek waarschuwden ze András voor de corruptie waarmee hij te maken zou krijgen. „Hij reageerde er laconiek op,” zegt Éva. „Tótdat hij een jaar later ons meldde dat hij een naaste medewerker had betrapt op corruptie. András zei: ‘Pa en ma, jullie hebben gelijk gekregen.’ Dat heeft me enorm veel pijn gedaan. Ik had hem ons gelijk niet gegund.”

Rond 1600 verkregen de voorouders van Lóránt Kibédi Varga, een machtige familie uit het Transsylvaanse Kibéd, hun adellijke titel. „Die verhalen hoorde ik al als kind, aan de keukentafel in Nederland,” zegt Varga (41). „Maar mijn ouders hebben mij de canon over het historische onrecht dat de Hongaren is aangedaan bespaard.” Bij het verdrag van Trianon in 1920, vlak na de Eerste Wereldoorlog, moest Hongarije tweederde van zijn grondgebied, waaronder Transsylvanië, afstaan aan de buurlanden. Varga: „De meeste Hongaren groeien op met een ‘Trianon-wrok’ en een grote teleurstelling over het feit dat het westen in 1956 Hongarije niet te hulp schoot.” Die wrok is hem vreemd. In 1993 nam hij een baan bij ABN AMRO in Boedapest aan. „Ik kon onbevangen een nieuwe samenleving instappen. Mijn ouders hadden me wel Hongaars geleerd. Op zondag na het ontbijt gaven ze een uur les. Hongaars dictee. Had je alles goed, dan was de beloning 50 cent. Voor iedere fout ging er een stuiver af.”

Varga werkt nu als directeur-Hongarije voor Trigranit, de grootste projectontwikkelaar van Centraal-Europa, eigendom van Hongarije’s rijkste ondernemer Sándor Demján. „Ik ben nu verantwoordelijk voor het bouwen van kantoor- en winkelcomplexen. Ik wilde bergen verzetten, daarom ging ik weg uit Nederland.”

Het wordt de ’56-ers aangerekend dat ze vertrokken, zegt Varga. „Maar als kind-van heb ik daar geen last van. Zodra ik merk dat een Hongaar me mijn succes misgunt zeg ik altijd: Nederland heeft in mijn scholing geïnvesteerd, en dat stop ik nu allemaal in Hongarije.”

De jaloezie, waarvan de Hongaarse samenleving bol staat, heeft volgens Varga meer te maken met de onzekere natuur van de Hongaar. „Ze zijn geneigd hun geluk in het verleden te zoeken, maar dat is een verleden waarin ze de ene veldslag na de andere verloren. Ook nu weer, in deze huidige politiek instabiele periode, slaat iedereen in Hongarije elkaar om de oren met historische vergissingen en misverstanden.”

Wat verdien je? Hoe duur is je auto? „Dat vraagt een Hongaar je op de man af”, zegt Varga. „Wij Nederlanders doen dat niet. Wij houden kunstmatig een egalitaire samenleving in stand, dus zwijg je over je welvaart. Maar de Hongaar is, ondanks vier decennia van communisme, zeer klassenbewust. Op de werkvloer beoordelen ze elkaar eerder op connecties en sympathie dan op kwaliteit. Daarin ga ik niet mee. Daarvoor ben ik genoeg Nederlander.”

In 2003 overleed de vader van Lóránt Lakatos. Hij bracht de urn met vaders as vanuit Nederland over naar Hongarije. „Dat was pa’s wens. En wij voelden het ook zo. Hij is eindelijk thuis. Mijn vader is altijd Hongaar gebleven.” Zelf is Lakatos inmiddels ook ‘thuis’ in Hongarije. Zijn bedrijf groeit, hij is net vader geworden van een zoon. „Veel van de kinderen van ’56-ers zijn hier succesvol, door die mix van Hollands verstand en Hongaars gevoel.” Aan teruggaan naar Nederland denkt hij niet. „Ik sta hier letterlijk vaster aan de grond. Het voelt anders dan lopen over een keurig betegeld Nederlands trottoir.”

Bierbrouwer András Csengö heeft zich inmiddels gewapend tegen de ruwe manier van zakendoen in Hongarije. De corruptie heeft volgens hem wortels in het communisme. „Lokale partijbaronnen speelden elkaar onderling de bal toe. Daarna is het land nog altijd niet aan zelfreiniging toegekomen.” In de bierbrouwerij is hij daarmee begonnen. „Wie de regels niet volgt vliegt eruit. Ik zweep de mensen op om keihard te werken. En verder geniet ik van Hongarije, van de keuken, van de muziekcultuur. Ik kén de Hongaar, ik weet wat hij voelt. Ik leef hier zoveel intenser dan in Nederland.”

De zorgen van zijn ouders, Tibor en Éva, begrijpt hij wel. „Het is toch een stevig trauma dat zij in 1956 hebben opgelopen. Dat heeft hun visie op Hongarije voor altijd bepaald.”

Voor de vijftigjarige herdenking van ’56 komen Tibor en Éva niet naar Hongarije. Ze blijven in Assen, op veilige afstand van het huidige politieke gevecht in Hongarije. De conservatieve oppositiepartij dreigt met een boycot van de herdenking, zolang de Hongaarse premier Ferenc Gyurcsány aanblijft. Gyurcsány kwam half september in diskrediet na het uitlekken van een speech waarin hij toegaf de Hongaren al jaren te hebben voorgelogen over de economische situatie in het land. De socialist Gyurcsány wordt door veel Hongaren gezien als een post-communist die geen recht heeft op het herdenken van de opstand tegen het sovjetbewind.

„De ruzie is een beschamende vertoning,” zegt Éva. „Onze revolutie was zuiver, en dat hebben we in onze harten meegenomen.”

Over het telefoongesprek met haar vader, in maart 1957, behoudt ze gemengde gevoelens. „We hebben zijn raad opgevolgd. ‘Blijf! In Nederland.’ En dat hebben we gedaan. Maar mijn vader heb ik nooit meer gezien.”