Groeten

Al die onbekende gezichten die Maarten Asscher op straat hartelijk begroeten, wie zijn dat toch? Heeft hij nu zo’n slecht geheugen, of komt het door iets anders? En hoe moet hij erop reageren? Vrolijk teruggroeten?

A student of Ortrhodox seminary, left, greets his friend near the wall of St.Michael's Cathedral in Ukraine's capital Kiev Friday, Sept. 8, 2006. (AP Photo/Sergei Chuzavkov) Associated Press

Wat moet ik met al die mensen die mij op straat, vanaf een terras, vanaf de fiets, in het langslopen goeiendag zeggen en van wie ik totaal niet weet wie ze zijn? Ik ben volstrekt niet beroemd, kom nooit met mijn gezicht op de televisie en zelden in de krant. Toch zijn er dagelijks mensen die mij hartelijk groeten en die ik absoluut niet ken.

Twee keer in mijn leven ben ik van baan veranderd en bij die gelegenheid heb ik een heleboel min of meer oppervlakkige ‘Bekanntschaften’ van mijn mentale harde schijf moeten wissen, al was het maar om plaats te maken voor een paar honderd nieuwe. En ik ben vaak verhuisd, dat moet ik toegeven. Maar dat kan bij elkaar toch onmogelijk verklaren dat mij dit zo vaak overkomt. Er is geen beginnen aan om iedere keer stil te staan, af te stappen of om te keren en mij te excuseren dat ik iemand zo gauw niet heb herkend. Dus wat doe ik? Ik groet hartelijk terug en vervloek mijn geheugen dat vervolgens de rest van de dag vergeefs op zoek gaat naar de naam die bij dit gezicht hoort.

Als ik wel eens bij vrienden naar dit verschijnsel informeer, dan heb ik de indruk dat het mij aanmerkelijk vaker gebeurt dan hun. En dat het bij mij ook ernstiger vormen aanneemt. Ik word zelfs wel eens om de hals gevallen door iemand die mijn naam kent en op de meest hartelijke wijze naar mijn welzijn informeert, zonder dat ik haar op het eerste gezicht kan identificeren. Wat doe je dan? Dan kun je toch moeilijk zeggen: „Pardon, ik geloof niet dat wij elkaar kennen.” Dus dan roep ik even hartelijk uit: „Heee, hoe is het? Alles goed? Thuis ook? Wat zie je er goed uit.” Of woorden van gelijke strekking.

Het is aannemelijk om te veronderstellen dat dit soort pseudo-ontmoetingen in de komende tien, twintig (dertig?) jaar alleen maar talrijker zullen worden. Mensen van vroeger hebben je nog langer niet gezien en zijn om die reden des te verheugder je weer tegen te komen (terwijl hun eigen gezichten intussen des te verder in mijn vergetelheid zijn geraakt) en er komen ieder jaar weer nieuwe mensen bij met wie je van dichtbij of – meestal – uit de verte iets te maken hebt.

Misschien zal het ermee eindigen dat ik op mijn oude dag buiten de kleine kring van huisgenoten, naaste familie, goede vrienden en (ex-)collega’s helemaal niemand meer herken. En die kring wordt langzaamaan steeds kleiner. Totdat je op een dag iedereen die je tegenkomt kent omdat je ze altijd groet, in plaats van omgekeerd. Is dat nu een onrustbarende of juist een geruststellende gedachte?