Niet mee te leven

We kunnen er niet mee leven, had de regering-Bush aangekondigd. Het is onbeschaamd, reageerde China. Het waren variaties op het thema Noord-Koreaanse Bom. Russen, Fransen en Britten onderschreven vervolgens de veroordeling, die dan ook resulteerde in een kritische resolutie van de VN-Veiligheidsraad. Maar veroordelen is één ding, daaraan sancties verbinden is heel iets anders, zo werd duidelijk in de volgende dagen. De aangekondigde maatregelen bleken een slap aftreksel van wat de initiatiefnemers, Japan en de VS, voor ogen had gestaan. Japan was intussen op de kopgroep uitgelopen. De Noord-Koreaanse koopvaardijvloot is de toegang tot Japanse havens ontzegd.

‘Niet mee leven’. Dat is een onheilszwangere verklaring. Want zij kondigt de inzet van uiterste middelen aan om datgene waarbij leven onmogelijk wordt teniet te doen, bijvoorbeeld door de Amerikaanse luchtmacht korte metten te laten maken met Noord-Koreaanse installaties die het vervaardigen van de Bom mogelijk maken. Van dat uiterste middel is nog niet vernomen, hoewel Amerikaanse woordvoerders onderstrepen dat alle opties ter tafel liggen, een formulering die van tijd tot tijd ook jegens Iran wordt gebruikt.

Het tot stand brengen van een nucleaire explosie door Noord-Korea is zonder meer een historische gebeurtenis, zelfs nu onder deskundigen twijfel bestaat of er van de BOM in zijn ware betekenis kan worden gesproken. Het regime had in zekere zin zelf eerder de glans van dit experiment afgenomen met zijn verklaring dat het al lang over atoomwapens beschikte. Het straatarme en hongerende Noord-Korea poseert zich als een grote-mogendheid-in-opkomst waarmee de wereld maar beter rekening kan houden. De wereld doet dat dan ook, de verbale eensgezindheid in de VN-Veiligheidsraad is daarvan het bewijs.

Gedeelde ongerustheid over Noord-Korea sluit overigens belangrijke verschillen van mening over de aanpak van dat land niet uit. Zoals tijdens het touwtrekken in de Veiligheidsraad is gebleken. Zo is er een verschillende beoordeling van het veiligheidsrisico. Waar landen als Amerika en Japan dat risico voor zichzelf in de toekomst plaatsen en ervan uitgaan dat er tijd genoeg is om tegenmaatregelen te nemen, heeft Zuid-Korea naar eigen inzicht te maken met een onmiddellijke dreiging. Als het regime in het Noorden zich ernstig in gevaar zou achten door de reacties op de Bom, zou het wel eens preventief kunnen optreden tegen het zuidelijke buurland. De hoofdstad Seoel ligt immers in het directe schootsveld van Noord-Korea’s zware artillerie. Dat verklaart het verschil in de reacties van Japan en van Zuid-Korea en dat is reden waarom het Amerikaanse project van een maritieme blokkade (nog) niet op de proef is gesteld. Het noordelijke regime heeft gewaarschuwd zoiets als een vijandelijke daad te zullen opvatten. Met alle consequenties van dien.

Het belangrijkste verschil zit echter in de beoordeling van de Amerikaanse rol in dit alles. Feit is dat de regering-Bush ten aanzien van Korea rechtsomkeert heeft gemaakt op de weg die haar voorganger was gegaan. Lopende onderhandelingen met het Noorden werden afgebroken, een door ex-president Carter ingeleide overeenkomst tot stopzetting van Noord-Korea’s nucleaire project in ruil voor Amerikaanse hulp bij de energievoorziening werd opgezegd. Zuid-Korea’s toenmalige president, Kim Dae Jung, kreeg op het Witte Huis te horen dat zijn zonneschijnoffensief richting Noorden niet langer op Amerikaanse steun hoefde te rekenen. Koren op de molen van Kims conservatieve vijanden in eigen land.

Het Noorden beantwoordde Amerika’s ommekeer met het opzeggen van het non-proliferatieverdrag (NPV) waarbij het zich verbonden had van het bezit, de fabricage en het gebruik van kernwapens af te zien.

Hebben de noordelijken die stap gezet omdat zij toch al van plan waren de Amerikanen bij de neus te nemen, zoals Bush en de zijnen beweren? Of moet het streven naar een Noord-Koreaanse bom worden verklaard uit een permanente vrees voor een Amerikaanse afrekening? De bewijslast ligt bij Washington. Tenslotte heeft Bush in zijn State of the Union-boodschap van 2003 de staat van Kim Jong Il ingedeeld bij de ‘as van het kwaad’ en is sinds de invasie van Irak de Amerikaanse eis van ‘regime change’ geen loos dreigement gebleken. Bovendien: het Koreaanse schiereiland was al sinds de Koreaanse oorlog geen nucleair vrije zone omdat de in het Zuiden gelegerde Amerikanen de Bom in hun ransel meevoeren.

Onder de gegeven omstandigheden ligt het voor de hand de Noord-Koreaanse vrees ernstig te nemen en het regime een geloofwaardig aanbod te doen. Dat aanbod moet inhouden een internationaal gewaarmerkte, Amerikaanse garantie dat zijn veiligheid niet wordt bedreigd en een terugkeer naar de overeenkomst waarbij ’s lands energievoorziening wordt verzekerd. Van Noord-Korea mag dan worden geëist de geest terug te dringen in de fles en zich opnieuw te binden aan de voorwaarden van het NPV. Zo’n aanbod lijkt een logisch vervolg van de terughoudendheid die de VN-Veiligheidsraad tot dusver heeft gedemonstreerd. Bovendien houdt het rekening met de belangen van het, afgezien van het Noorden, meest betrokken land in de regio: Zuid-Korea. Want het Zuiden moet anders dan Bush c.s. wel met het Noorden kunnen leven, al was het uit pure overlevingsdrang.

Jan Sampiemon is medewerker van NRC Handelsblad.

    • J.H. Sampiemon