Aan de verkiesbare

Zeer geachte heer Balkenende, Wat een mooi medemenselijk boekje heeft u geschreven, zeg. Potverdikkeme! Ik kon het om kwart voor twaalf ophalen in de winkel, sloeg het buiten meteen open, werd bij het oversteken van het Rokin nog bijna door een tram gegrepen omdat ik bleef lopen lezen, had het vijf over half een uit, en heb toen nog zeker tot bij zessen in m’n stoel zitten uitblazen, want u kent dat wel: zoals je pijn voelt in al je beenspieren als je op televisie naar een voetbalwedstrijd in de sneeuw hebt gekeken, zo was ik doodmoe geworden van alle begripvolle energie die u in uw brieven hebt geïnvesteerd.

Goeie god, als ik me even oneerbiedig, maar diep gemeend, mag uitdrukken.

En iedereen op z’n eigen niveau benaderd, dat vond ik er vooral zo sympathiek aan. Ik weet niet of u ook een eigen taal heeft, maar dat doet er eigenlijk niet toe. U spreekt immers ieders taal, en wie doet u dat na? Schaatstaal als u zich tot Marianne Timmer richt, mannentaal tegen Jaap de Hoop Scheffer, aaltaal voor de vishandelaar, beetje kreupele taal voor Lucille Werner met haar positieve televisieprogramma’s, en intellectuele taal als u een brief schrijft aan Harry Mulisch, die u trouwens nog even op z’n nummer zet door hem er fijntjes aan te herinneren hoe de intelligentsia zich ooit „liet gebruiken voor stalinistische onderdrukking en terreur”.

Prachtig!

Maar dat komt natuurlijk ook omdat u van al die markten thuis bent. Of het nu om het management van een broodjeszaak gaat, om de EO-jongerendag, om het maken van mooie dingen („ik heb een hoge dunk van cultuur”), om de sport waarvan u niet bent weg te slaan, of om de televisie waarop u het oeuvre van Lucille volgt – het is verbazingwekkend te merken voor hoe weinig gat u bent te vangen.

En al die platitudes! Waar haal je ze toch vandaan, man? Dat politiek staat en valt met de inhoud. Dat de Derde Wereld een blijvend probleem is. Dat je van alle mensen mag vragen iets voor een ander te betekenen. Dat een onsje meer respect en fatsoen in ons land geen kwaad zou kunnen. Dat Nederland een land moet worden waar plaats is voor iedereen. Dat je om te winnen koersvast te werk moet gaan, en het karwei gezamenlijk moet aanvatten. En dat geloof altijd helpt.

Tjezus, als ik me nog één keer onparlementair mag laten gaan.

Wilskracht, vitaliteit, dynamiek, vooruitgang, normen, waarden, positiviteit – het is alsof u ermee over de daken rijdt en ze op 5 december overal door de schoorsteen gooit in de wetenschap dat heel Nederland z’n schoen er voor heeft klaargezet.

Ik ken, zelfs in de politiek, wel mensen die na drie of vier gemeenplaatsen bij zichzelf denken: misschien word ik nu iets te plat. Door dat soort inhibities laat u zich gelukkig niet afleiden – vandaar uw grote succes, want het electoraat houdt van simpele, begrijpelijke taal, en vandaar ook uw oproep (via de fellowtraveller Harry Mulisch) aan de Nederlandse intelligentsia, om het aloude maatschappelijk engagement weer eens ter hand te nemen, maar dan natuurlijk positief en liefst in koersvaste bewoordingen.

Tijdens het lezen moest ik telkens aan de poëzieles van meester Pennewip uit Woutertje Pieterse denken, en aan het gedicht dat Truitje Gier had gemaakt op juffrouw Pennewip die handwerken gaf. Dat zegt natuurlijk wel wat: Balkenende en Multatuli in één leesadem! Truitje dichtte:

Het pad der deugd wijst zij ons aan,

Wie zou niet gaarne medegaan?

En in verloren ogenblikken

Leert zij ons naaien, stoppen en stikken.

Wat zou het een zegen zijn, geachte heer Balkenende, als u zich na 22 november helemaal aan de schrijverij zou gaan wijden!

Jan Blokker is columnist van nrc.next.

    • Jan Blokker