Prietpraat over leken

De Nijmeegse classicus Anton van Hooff blijkt een ferm supporter van lekeninbreng in de rechtspraak (Opiniepagina, 2 oktober), hetgeen hem van harte gegund zij. Vreemd genoeg meent hij die voorkeur te moeten schragen met een nogal kromme bespreking van ons rapport ‘Op de stoel van de rechter’, een rapport dat zich in het geheel niet uitspreekt over de voor- en nadelen van lekenrechtspraak, maar waarin werd onderzocht of leden van het Nederlandse publiek en echte strafrechters in identieke strafzaken door de bank genomen tot eenzelfde strafoordeel komen. In ons rapport wordt, met een slag om de arm, geconcludeerd dat dat niet zo is: het publiek oordeelt strenger.

Van Hooff stelt nu (a) dat is nogal wiedes, want het onderzoek was verricht in opdracht van de beroepsstand der rechters en (b) er is alle reden aan te nemen dat het rapport een verkeerde conclusie trekt: leken straffen in echte zaken juist wel als echte rechters.

De eerste stelling is onheus, zowel tegenover ons als onderzoekers (wij zouden kennelijk slechts uit een onderzoek laten komen wat opdrachtgevers willen) als tegenover rechters – zij zouden slechts geïnteresseerd zijn in onderzoek dat hun gelijk bevestigt. Gelukkig is noch van het een, noch van het ander sprake.

Wezenlijker is echter dat Van Hooff geheel en al mis zit met zijn veronderstelling dat rechters zouden hopen dat zulk onderzoek resulteert in de bevinding dat leken strenger straffen dan rechters. Het tegendeel is het geval. Ja, er is een grote kloof tussen wat de bevolking rechtvaardig acht en wat rechters aan straf uitdelen. Maar, nee, dat wordt noch door wetenschappelijk onderzoekers noch door rechters toegejuicht. Zij zien dat eerder als een bedreiging voor de legitimiteit van de rechtspraak. Uit opinieonderzoek zou men kunnen vrezen dat zo’n kloof bestaat. Maar daar worden wel erg simpele vragen gesteld (‘Vindt u dat er in Nederland in het algemeen te licht wordt gestraft?’). Rechters hoopten en verwachtten dan ook dat ons iets verfijndere onderzoek zou laten zien dat het publiek helemaal niet zoveel verschilt van rechters zodra het oordeelt op werkelijke strafdossiers.

De uitkomst van ons onderzoek is daarom geenszins hetgeen rechters hadden gehoopt, en veel wetenschappers hadden verwacht.

De tweede stelling van Van Hooff deelt hij met menig rechter. Zij menen dat leken in echte rechtzaken net zo mild straffen als rechters. Die stelling wordt in ons rapport nauwkeurig besproken en vooralsnog als onbeslist gezien. Er is dus ruimte voor nadere reflectie. Wij delen niet Van Hooffs geloof dat duidelijk zou zijn wat de uitkomst ‘in het echt’ is.

Ook als we in aanmerking nemen dat met dit onderzoek niet het laatste woord gezegd is, is er alle reden voor bezinning op de betekenis van de kloof. Het staat een ieder vrij daarbij zijn stokpaardjes te berijden, maar het siert de deelnemers aan de discussie als ze de standpunten van anderen daarbij correct weergeven.

Ten slotte, waarom doet Van Hooff zoveel moeite om te betogen dat lekenrechtspraak tot dezelfde uitkomst leidt als rechtspraak door beroepsrechters? Als argument pro lekeninbreng komt ons dat merkwaardig voor.

Dr. Jan W. de Keijser, prof.dr. Peter J. van Koppen en prof.dr. Henk Elffers zijn verbonden aan het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving NSCR in Leiden.

    • Henk Elffers
    • Peter van Koppen
    • Jan de Keijser