Zielloze surrogaten

Ga naar het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) in Rotterdam en de kans is groot dat je er slechts een handvol bezoekers en een verveelde schoolklas aantreft. Hoogstzelden trekken architectuurtentoonstellingen de drommen bezoekers die je elders wel regelmatig ziet. Daar heeft Aaron Betsky, de Amerikaanse directeur van het NAi die eind deze maand afscheid neemt, de afgelopen vijf jaar niets aan kunnen veranderen.

De geringe belangstelling voor architectuurexposities staat haaks op het openbare karakter van de bouwkunst. Van alle kunsten is het de meest publieke: voor een Mondriaan moet de gemiddelde Nederlander naar een museum, maar voor een gebouw hoeft hij alleen maar de straat op.

Voor architectuur hoef je dus niet naar het NAi. Sterker nog: wie dit wel doet, krijgt er behalve het instituutsgebouw van Jo Coenen zelf meestal juist geen echte architectuur op ware grootte te zien. Op een expositie van, zeg, Matisse zie je echte schilderijen of tekeningen, maar bij architectuur krijg je zelden de real stuff te zien en moet je het doen met surrogaten. Slechts af en toe mag een architect een echt bouwsel in een museum maken. Zo liet Daniel Libeskind, bekend van de uitbreiding van het Joods Museum in Berlijn, negen jaar geleden voor een tentoonstelling een grote ijsberg van schots en scheve stalen platen neerzetten in het NAi. Hier konden de bezoekers zijn treinongelukkenstijl op ware grootte ervaren. Maar dit was een uitzondering. Meestal bestaan de exposities uit foto’s, maquettes, video’s en andersoortige afbeeldingen van architectuur.

Bij architecten, die mooie ontwerptekeningen hebben gemaakt, is het niet zo’n bezwaar om naar surrogaten te kijken. Hun ontwerpen zijn vaak kunstwerken op zichzelf en kunnen schitterende tentoonstellingen opleveren, zoals die over Wijdeveld in het NAi eerder dit jaar. Maar zeker sinds de opkomst van de computer tekenen steeds minder architecten met potlood en pen. De meesten maken hooguit nog een onaanzienlijk, krabbelig schetsje als eerste aanzet die wordt uitgewerkt met de computer. Zo komt het dat bezoekers van architectuurtentoonstellingen steeds vaker te maken krijgen met computeranimaties die, hoe knap ook gemaakt, altijd de persoonlijkheid en bezieling van echte tekeningen missen.

De gebreken van hedendaagse architectuurtentoonstellingen worden pijnlijk duidelijk op de tiende architectuurbiënnale die nog tot en met 19 november is te zien in Venetië. Niet alleen bestaan veel exposities hier, overeenkomstig de nieuwste architectuurmode, uit een verbijsterende stortvloed statistische gegevens, maar ook uit computerbeelden, maquettes, video’s en foto’s, heel veel foto’s. Ze maken duidelijk dat de thuisblijvers gelijk hebben. De computerbeelden en video’s peperen je in dat je eigenlijk beter naar internet dan naar Venetië had kunnen gaan. En de foto’s met toelichtingen vol statistieken geven je het gevoel dat je naar opgehangen boeken staat te kijken die veel beter in verkleinde vorm thuis op de bank hadden kunnen worden gelezen.

woensdag@nrc.nl

    • Bernard Hulsman