Verheffing via een fraaie boerenknopstoel

Jan Veth: ‘Heintje’ (papier en houtskool, 1891)

Tentoonstelling: Kunst rond 1900, idealisme, schoonheid en geluk. Noordbrabants Museum, Verwersstraat 41, ’s-Hertogenbosch, tot 7/1. www.noordbrabantsmuseum.nl. Het Bossche stadhuis met de wandschilderingen van A. Derkinderen, is toegankelijk van ma. t/m vrij.

‘Spil nooit Uw tijd aan ijdelheid,’ staat er veelzeggend op de bovenrand van een spiegel uit circa 1898, van bruin gebeitst vruchtenhout met gips ingelegd. Hij hangt aan het begin van de tentoonstelling over kunst rond 1900, in het Noordbrabants Museum. Nog voor hij iets bekeken heeft wordt de bezoeker zo geconfronteerd met zijn eigen hoofd, omlijst door twee perfect gespiegelde pauwen. En hij begrijpt het meteen: dit is niet zomaar een luchtige tentoonstelling, vol mooie siervoorwerpen en schilderijen. Het gaat hier niet uitsluitend om de buitenkant.

De tentoonstelling Rond 1900 geeft een beeld van de productie van al die idealistische kunstenaars van honderd jaar geleden die, in navolging van William Morris en de Arts and Craftsbeweging in Engeland, ook hier in Nederland de samenleving wilden verbeteren met hun kunst. Esthetiek en moraal hingen in hun ogen nauw samen. De thema’s op de tentoonstelling zijn zo gekozen dat de achterliggende idealen van die bevlogen kunstenaars duidelijk worden.

Heimwee naar de Middeleeuwen is zo’n thema, heimwee naar de tijd van de gildebroeders, toen er geen echt verschil tussen kunstenaars en handwerkslieden bestond. Van Bouwmeester H.P. Berlage staat er onder meer een bedrieglijk eenvoudige driehoekige stoel, gebaseerd op een Middeleeuws voorbeeld, niet met spijkers en schroeven of lijm in elkaar gezet, maar met simpele houten pennen. Voor schilders als Antoon Derkinderen vormden onder meer de Vlaamse Primitieven een grote inspiratiebron. Hij decoreerde in deze ‘middeleeuwse stijl’ enkele wanden van het Bossche stadhuis, een paar straatjes van het museum vandaan. Daar kun je zien hoe overstelpend zijn symbolistische visie in de praktijk is. Derkinderen wilde, eigenlijk net als alle andere kunstenaars op deze tentoonstelling, kunst bereikbaar maken voor iedereen. Maar het ‘volk’ dat geconfronteerd werd mer zijn mooie maar pompeuze wandschilderingen zag, moet zich haast wel kleintjes gevoeld hebben.

Andere kunstenaars kozen socialistischer wegen en ontwierpen kunst die de directe omgeving van ‘de arbeider’ en ‘het volk’ moest verfraaien en verbeteren: (gebruiks)keramiek, boekbanden, stoelen, tafels, ketels en wiegjes die met zorg werden versierd. Fabrieksprodukten waren niet goed genoeg. Ze begonnen de natuur te bestuderen en in geometrische motieven te vatten. Onder dat thema hangt er ondermeer een prachtige, blauw groene aquarel van verschillende visies op een artisjok, eerst ontrafeld tot in de meest intieme details en vervolgens weer afstandelijk gemaakt door hem tot een geometrisch motief te reduceren.

De enige sectie die niet helemaal overtuigt is die waarin de inspiratie op de Nederlandse volkskunst wordt behandeld. Dat een meubelmaker als Willem Penaat voor de arbeiders een nieuwe versie van de boerenknopstoel ontwikkelde (iets wat Morris in Engeland enkele decennia eerder ook had gedaan) klopt wel, maar het is de vraag of al die mooie portretjes van die vergeestelijkte meisjes met hun Huizer kapjes (van Jan Veth en zijn vrienden) wel het duidelijkste voorbeeld zijn van dat ‘zoeken naar nationale identiteit’, zoals wordt beweerd.

Mooi zijn ze in ieder geval wel. En absoluut niet ijdel.