Slapen in een fort van Saddam

In 2002 wilde Michiel Hegener overnachten in een oud fort van Saddam Hoessein, maar zijn tolk zag het niet zitten. Afgelopen zomer kwam hij er terug, en werd gastvrij ontvangen door een Koerdische commandant.

Waar kun je onaangekondigd en gratis op een militaire basis overnachten? In Sidakhan bijvoorbeeld, een afgelegen vallei in de noordoosthoek van Irak, omringd door besneeuwde bergen op de grens met Iran en Turkije. Mooi, maar met een zwak ontwikkelde recreatiesector. Het gelijknamige dorp telt een paar van ’s werelds beste adressen voor honing, maar dan heb je het wel gehad. Hotel? Volg de wildwestachtige hoofdstraat en buiten de bebouwde kom ligt rechts een soortement kasteel: vijftien bij twintig meter, ronde torens op de hoeken, dichte muren. Hier bivakkeert de plaatselijke afdeling van de pesh merga’s, Koerdische soldaten zonder uniforme uniformen.

Bij de roestige ijzeren poort beleefde ik in juni 2002 een frustrerend moment. Een dag lang was ik met twee pesh merga’s van het fort op bezoek geweest bij nomaden. In een geitenharen tent kregen de mannen thee, brood en tien soorten zelfgemaakte kaas voorgezet door vrouwen die zich vervolgens schichtig schaars maakten in een aanpalende tent. En na de maaltijd de sneeuwvelden op, hopend op bonje met een PKK-patrouille. Terug op het fort kwam de kers op de Koerdische taart: de commandant vroeg of we niet wilden blijven. Uiteraard, geen seconde bedenktijd nodig. Chauffeur Nadjia was er ook voor in, want zelf oud-pesh merga. Overnachten in een ex-fort van het bijna-ex-Baath-regime, wie slaat zoiets af? Mijn tolk Chedr dus. Hij droeg altijd een colbert en een deftig glimmende stopdas, verplaatste zich steeds op imitatiekrokodillederen schoenen met spekgladde zolen, ook op sterk hellende vlakken, en de dagelijkse terreindoorschrijdingen vond hij niet bij zijn werk horen. Een week had hij gezwegen, maar nu overschreed ik een grens: slapen in een klamme betonnen kamer tussen kakkerlakken en militairen! We moesten en zouden naar een stad en een hotel, en om de relatie niet op scherp te zetten, gaf ik hem zijn zin.

Ooit zou ik mijn leed compenseren, dacht ik toen – en nu leek het juiste moment. Aan mijn tolk Saef had ik van tevoren verteld dat we een nacht in Sidakhan bij de pesh merga’s zouden overnachten, chauffeur Haider vond alles goed als hij maar genoeg en tijdig te eten kreeg, alleen de pesh merga’s wisten nog van niks. Geluk laat zich niet afdwingen, zeker niet in Irak. Terwijl Haider de haarspeldbochten richting Sidakhan nam, begon het te hozen, de idyllische besneeuwde bergen waren onzichtbaar, een paar honderd doorweekte bruiloftsgasten accentueerden, dansend op een bergwei, het trieste landschapsbeeld. Maar er was een meevaller. Een maand of drie eerder had de Nederlandse correspondent van Kurdistan TV mij en vijf anderen een uur lang te Zeist ondervraagd over onze ontmoeting in 1973 met generaal Mustafa Barzani (1903-1979), de Willem van Oranje van Iraaks Koerdistan, vader van de huidige president, grootvader van de huidige premier. Twee dagen voor mijn komst naar Sidakhan was dat interview onverkort uitgezonden – en bekeken in het fort waar ik op af koerste.

Voor fortcommandant Khassem Hadji Djasim was mijn verschijning, na het tv-programma, een feest van herkenning. Overnachten? Natuurlijk, waarom niet. Djasim opende zijn commandokamer half gevuld met een fabrieksnieuw bankstel, het transparante beschermende plastic er nog om heen. Achter een bureau ter grootte van een biljart hingen foto’s van alle denkbare Barzani’s. Wat ik nog niet aan krediet had verzameld, oogstte ik door Djasim en zijn luitenanten elk een foto te geven die ik in 1973 maakte van Mustafa Barzani. Zes ronden thee en een driegangenmaaltijd later stapten we in Djasims auto voor een rondrit over een paar wegen die niet blank stonden, en vertelde hij waarom het bij het drielandenpunt van Irak, Iran en Turkije zo vredig was. Zijn drie bataljons hadden daar alles mee te maken, zeker, maar een alerte bevolking minstens zo veel. Djasim: „Zodra er in Sidakhan iemand verschijnt die daar niet thuishoort, wiens aanwezigheid niet valt te verklaren, bellen mensen ons ogenblikkelijk en stuur ik er pesh merga’s op af.” Mobiel dus allemaal: gsm als cordon. Voorwaarde is wel dat de bewoners elkaar goed kennen, anders blijft iedereen bellen. „We worden zelfs gebeld door Koerden uit Iran zodra ze een verdacht persoon bij de grens zien”, zegt Djasim, zijn terreinwagen door diepe waterplassen loodsend terwijl de duisternis inzet en het ook begint te onweren.

Uren later lig ik onder een nylon deken op een tapijt op een betonnen vloer. Haider moest in een ander vertrek omdat hij bekende te snurken, Saef en ik mochten op de slaapkamer van Djasim. Af en toe wordt de kamer fel verlicht door bliksem, donder teistert de nachtelijke stilte, en twee meter verder ligt de commandant van Sidakhan te snurken als een oordeel. Dondert niks. Slapen kan thuis ook. Wakker liggen in een ex-fort van Saddam Hoessein kan vermoedelijk alleen hier.

    • Michiel Hegener