Privécanon

De canon van Nederland zal voor het onderwijs misschien een nuttige functie hebben, maar voor de samenleving kan het vooral een splijtzwam worden, vrees ik. Zo voorzie ik de komende jaren hemeltergend gezeur over het feit dat ‘Pim’ er niet in staat. Marco Pastors heeft al gezegd: „Voor mij is dit een teken dat de gevestigde orde ook bij de historici is doorgeslagen.”

Er stond niet bij of hij daarbij weer spontaan in een tranenvloed is uitgebarsten, zoals laatst toen hij op tv herinneringen aan Pim ophaalde, maar ik neem aan dat hij er in ieder geval buitengewoon droevig bij heeft gekeken. Als Pastors ooit nog eens premier van Nederland wordt – met al die waterlanders nogal gevaarlijk voor onze dijken – zal hij de naam van ons land veranderen in Fortuynland.

Voetballiefhebbers vroegen zich af of Johan Cruijff er niet in had moeten worden opgenomen. Van mij mag het, maar dan wil ik er ook wel graag een paar reële kanttekeningen bij, zoals: „1974. Zwemmen in blote kont met meisjes in zwembad Duits hotel. Ruzie met echtgenote. Faalde daardoor in WK-finale.”

Ook tegen de opname van Fanny Blankers-Koen (weet de jeugd nog wie ik bedoel?) heb ik geen enkel bezwaar, mits we aan die olympische plakken van 1948 toevoegen: „Kreeg als beloning fiets van het Nederlandse volk.” Ik bedoel: het is toch leerzaam als die canon ook iets zegt over de mentaliteit van ons genereuze volkje?

Maar nog veel interessanter kan het worden als we van het idee van één nationale canon afstappen en iedere individuele burger in staat stellen een canon over zichzelf op te stellen. Ja, een heuse privécanon. Ook hier vijftig markante punten, ‘vensters’ die ons een inkijkje verschaffen in andermans leven.

Bij elke kennismaking overhandigen we elkaar onze privécanon die we meteen snel doornemen, zodat we elkaar geen tijdrovende vragen meer hoeven stellen over afkomst, studie, liefdes et cetera. Een soort curriculum vitae, maar dan uitgebreider en met kernachtig, eerlijk commentaar – de neerslag van onbarmhartige introspectie.

Om te laten zien wat ik bedoel, zal ik mezelf even als voorbeeld nemen.

1946. Geboren in een onbekend Nijmeegs ziekenhuis, vermoedelijk allang met de grond gelijkgemaakt. Vader zei nog jaren later dat kind zulke vies dichtgekoekte ogen had. Geen foto’s uit die tijd. „We hadden wel wat anders aan ons hoofd”, aldus de ouders.

1950. Kleuterschool. Enige overgebleven beeld: huilend in hoek klas op donkere wintermiddag, oorzaak onduidelijk.

1951. Verhuizing. Nieuwe kleuterschool. Eerste verliefdheid – op Margrietje Koeter, meisje dat voorgoed van aardbodem verdwenen lijkt.

1955. Eerste breuk met katholieke kerk. Weigering om misdienaar te worden. „Geen zin om daarvoor zo vroeg op te staan.”

1952-1964. Allerlei scholen. Veel naar buiten staren. „Blijft het leven zó saai?”

1956-1966. Rechtsbuiten. Weinig ‘scorend vermogen’.

1966. Weer verliefd, weer een Margrietje (nog steeds op aardbodem).

1967. Militaire dienst. Alsmaar verkouden. Op schietbaan zakt helm steeds voor ogen. Afgekeurd wegens bronchitis.

1973 en 1975. Kinderen. Aanwezig bij verwekking, maar minder opvallend bij bevalling.

2005. Kleinkind. Oude lul.

1966 tot nu. Kranten, altijd maar kranten.

    • Frits Abrahams