Angst voor toename kernmachten groeit

Al voor de kernproef die Noord-Korea vorige week uitvoerde bestond de vrees dat de afspraken tegen verspreiding van nucleaire wapens niet langer voldoen.

Een nieuwe aanpak is dringend nodig om de verdere verspreiding van kernwapens tegen te gaan – anders zitten we straks niet met negen kernmachten, maar met nog eens twintig tot dertig landen die in staat zijn op heel korte termijn atoomwapens te ontwikkelen. Die waarschuwing kwam gisteren – een week na de Noord-Koreaanse kernproef – van Mohamed ElBara-dei, hoofd van de nucleaire waakhond IAEA, het Internationale Atoom Energie Agentschap.

Naast de landen die kernwapens hebben ontwikkeld, zei ElBaradei op een conferentie in Wenen, is er een nieuwe categorie in opkomst: landen die een civiel nucleair programma opzetten met de bedoeling daarmee zonodig heel snel kernwapens te kunnen maken. Hij spreekt van „virtuele kernwapenstaten” – voor de zekerheid zorgen ze dat ze alle benodigde technologie om een atoombom te maken achter de hand hebben.

„Wat betreft nucleaire kennis is de geest uit de fles, voor vreedzame, maar helaas ook voor niet zo vreedzame doeleinden. Het raakt bij landen in zwang om te onderzoeken hoe ze zichzelf met kernwapens kunnen beschermen”, aldus de IAEA-topman.

Hij noemde geen landen bij naam, maar de voorbeelden zijn niet moeilijk te bedenken. Iran verrijkt uranium, naar eigen zeggen uitsluitend voor de ontwikkeling van kernenergie. Ook Japan zegt niet uit te zijn op het ontwikkelen van kernwapens, maar zal er – dankzij rijke ervaring met kernenergie – weinig tijd voor nodig hebben. Zuid-Afrika, Argentinië en Australië overwegen hun nucleaire programma uit te breiden met verrijking van uranium. En Egypte, Nigeria, Indonesië, Ghana, Turkije en tal van andere landen zouden overwegen om met kernenergie te gaan beginnen.

De waarschuwing van ElBaradei staat niet op zichzelf. Al enkele jaren groeit de bezorgdheid in de wereld dat het stelsel van afspraken om de proliferatie (verspreiding) van kernwapens te voorkomen, niet meer voldoet en snel aan geloofwaardigheid en effectiviteit verliest. Heeft de Pakistaanse atoomgeleerde A.Q Kahn niet allerlei technologie voor het maken van kernwapens kunnen exporteren? Heeft Libië ondanks inspecties van de IAEA niet jaren kunnen werken aan een kernwapenprogramma? Ook al voordat Noord-Korea zijn kernproef deed werd gevreesd voor een nieuwe een kernwapenwedloop.

Zo stelde de oud-wapeninspecteur Hans Blix in juni in een rapport getiteld ‘Terreurwapens’ dat nucleaire ontwapening dringend een nieuwe impuls nodig heeft. De VS, ooit de drijvende kracht achter het Non-Proliferatieverdrag, zouden het goede voorbeeld moeten geven door het zogenoemde kernstopverdrag (dat atoomproeven verbiedt) te ratificeren.

In 1960 zei senator John F. Kennedy, in een verkiezingsdebat met vice-president Nixon, dat er binnen vier jaar „10, 15 of 20 landen met kernwapens zouden zijn”. Dat het zover nog altijd niet is gekomen, is in grote mate te danken aan het Non-Proliferatieverdrag (NPV) – waarbij alle landen zich hebben aangesloten behalve Israël, India en Pakistan (Noord-Korea trok zich er in 2003 uit terug).

Uitgangspunt van het verdrag is dat verspreiding van nucleaire wapens het gevaar op een kernoorlog vergroot en dus voorkomen moet worden. Landen zonder kernwapens zouden ze ook niet verwerven, was de afspraak. In ruil daarvoor werden ze beloond met toegang tot technologie voor vreedzame kernenergie. De bestaande kernmachten zouden nucleaire wapens niet exporteren en streven naar nucleaire ontwapening.

Het was een soort uitruil, die voor sommige landen allengs minder aantrekkelijk is geworden. Niet alleen blijken de bestaande kernmachten weinig werk te maken van ontwapening. Maar de nieuwe kernmacht India, een land dat altijd buiten het Non-Proliferatieverdrag met zijn verplichtingen is gebleven, bleek deze zomer toch de technologie te kunnen krijgen waarvoor andere landen hun nucleaire ambities hebben moeten opgeven. Deze zomer sloot Washington met New Delhi een akkoord over de levering van nucleair materiaal (dat overigens nog moet worden goedgekeurd door de Senaat).

Andere landen vragen zich nu af of zij niet ook beter uit het NPV kunnen stappen om hun handen vrij te hebben. „We moeten de mogelijkheid onder ogen zien dat de nachtmerrie van Kennedy met een generatie vertraging werkelijkheid wordt”, schreef de Duitse hoogleraar Internationale Betrekkingen Harald Müller deze zomer in het blad Internationale Politik.

In de VS is men minder pessimistisch. Het akkoord met India werd binnengehaald als een pragmatische oplossing, die het land voor het eerst bindt aan een mate van nucleair toezicht. Ook het feit dat Libië zijn nucleaire wapenprogramma opgaf stemde tot tevredenheid. Maar de ontwikkelingen in Iran en Noord-Korea hebben ook in de VS weer stemmen doen opgaan voor een nieuwe aanpak om de verspreiding van kernwapens tegen te gaan.

    • Juurd Eijsvoogel