Speelfilm en leerboek stadsguerrilla

Donderdag overleed Gillo Pontecorvo. Zijn film The Battle of Algiers is een klassieker – voor filmlief-hebbers, maar ook voor terroristen en militairen.

Pontecorvo in 2001 (Foto AP) ** FILE **Italian movie director Gillo Pontecorvo is seen at the 58th Venice film festival, at Venice Lido, northern Italy, in this Aug. 30, 2001 file photo. Italian filmmaker Gillo Pontecorvo, who directed the black-and-white classic "The Battle of Algiers," has died in Rome, hospital officials said Friday. He was 86. (AP Photo/Luca Bruno, file) Associated Press

De Italiaanse regisseur Gilles de Pontecorvo is donderdagavond in een ziekenhuis in Rome overleden. Hij was 86 jaar. Pontecorvo stond bekend als ‘de luie regisseur’. Hij maakte in vijftig jaar zeven speelfilms. Maar een van die films was eigenlijk al genoeg geweest om zijn onsterfelijkheid te garanderen. La Battaglia di Algeri uit 1966 is nog steeds een van de beste films over revolutie die ooit gemaakt is. De film won in 1966 de Gouden Leeuw op het filmfestival van Venetië en kreeg drie Oscarnominaties, niet alleen dus in de categorie beste buitenlandse film, maar ook die van beste regie en scenario van alle films dat jaar. In Frankrijk was La Battaglia di Algeri jarenlang verboden, pas in 2004, meer dan veertig jaar later, was hij daar in de reguliere bioscoop te zien.

The Battle of Algiers gaat over de door de Franse machthebbers onderdrukte Algerijnse opstand in de kashba van Algiers en is sindsdien verplichte kost voor iedereen die over een opstand een film wil maken – of die zich op een werkelijke opstand voorbereidt. In de jaren zestig was Pontecorvo’s The Battle of Algiers lesmateriaal voor revolutionairen en terroristen als de PLO, The Black Panthers en de IRA. Maar ook de tegenpartij gebruikt de film, die een genuanceerd beeld weet te geven van een stadsguerrilla.

In 2003 werd hij nog door het Pentagon, het Amerikaanse ministerie van Defensie, vertoond ter voorbereiding op de oorlog in Irak. Volgens de Amerikaanse filmcritica Pauline Kael was The Battle of Algiers waarschijnlijk „de enige film die een middenklassepubliek deed geloven in de noodzaak onschuldige mensen te bombarderen.”

Pontecorvo vond de voorstelling in het Pentagon bizar. „Alles wat The Battle of Algiers kan doen”, zei hij in een interview met The Herald Tribune, „is to teach cinema, not war”.

The Battle of Algiers viel op door de stijl van de film gemaakt . In grofkorrelig zwart-wit, met grotendeels niet-professionele acteurs, op locatie vanuit de hand gefilmd, wekt de film de indruk een documentaire te zijn, maar dan wel van een maker die altijd precies op het juiste moment op exact de juiste plaats was. Een van de rollen wordt gespeeld door Saadi Yacef, in werkelijkheid een van de leiders van het Algerijnse bevrijdingsfront FLN. De met eigen geld gefinancierde film – geen Italiaanse producent wilde zijn vingers eraan branden – toont beide zijden van het conflict, zowel de voorbereidingen op aanslagen door de Algerijnen als de vergelding door Franse militairen en slaagt erin om zowel begrip te kweken voor de opstandelingen als compassie voor de slachtoffers aan alle kanten, en zelfs voor de daders.

Gilberto Pontecorvo (Pisa, 19 november 1919) was een van de tien kinderen van een joodse zakenman. Hij studeerde scheikunde. In 1938 vluchtte hij voor de rassenwetten van het fascistische Italiaanse regime naar Frankrijk, waar hij onder meer aan de kost kwam als tennisleraar en journalist. In 1941 ging hij terug naar Italië, waar hij lid werd van de communistische partij. In Milaan groeide hij uit tot een van de leiders van het verzet.

Na de oorlog raakte hij door het zien van Paisà (1946) van Roberto Rossellini zo begeesterd dat hij zelf films wilde gaan maken. Hij werkte in Parijs onder meer als assistent van de Nederlandse documentairemaker Joris Ivens. Pontecorvo’s eerste speelfilm was in 1957 La Grande Strada Azurro, een verhaal over een arme visser met Yves Montand in de hoofdrol. In 1959 maakte hij Kapò, een film over een joods meisje in Auschwitz dat in de gunst komt bij de SS-bewakers. Na De slag om Algiers volgde nog Queimada (Burn!, 1969) waarin Marlon Brando een huurling speelt die in de negentiende eeuw munt probeert te slaan uit een opstand op een eiland in de Antillen, en in 1979 Ogro, een film over Baskisch terrorisme aan het eind van het regime van Franco in Spanje.

Daarna maakte Pontecorvo geen speelfilms meer. Hij bleef wel korte films en documentaires maken. Hij leidde het filmfestival van Venetië van 1992 tot 1995. In 2001 werkte hij nog mee aan een documentaire over de protesten tegen de G8 top in Genua, Un altro mondo è possibile.

Pontecorvo werd zaterdag opgebaard in het stadhuis van Rome. Vandaag wordt hij begraven.