Het Mozart-Requiem

Clemens Kemme (Foto Maarten van Haaff) Clemens Kemme, herschreef het Requiem van Mozart. Amsterdam, 10 okt 2006. foto MAARTEN VAN HAAFF Haaff, Maarten van

„Wat mij vanaf mijn eerste kennismaking met het Requiem van Mozart is opgevallen, is dat de kwaliteit vanaf het Sanctus zo instort. Het Domine Jesu is nog adembenemend, en het Hostias is ook fantastisch. Maar dan krijg je dat Sanctus, en wat gebeurt er? Een hoop paukengeroffel, maar veel geschreeuw en weinig wol. Een oersaaie baslijn, en het allerergste: die fuga op Hosanna in excelsis, die ophoudt voor hij goed en wel begonnen is. Vanaf daar wordt het Requiem gewoon een kwestie van uitzitten.”

Volgens muziektheoreticus/arrangeur Clemens Kemme valt het Mozart zelf niet aan te rekenen. Toen die in 1791 stierf, was het Requiem onaf. De druk waaronder hij aan de compositie werkte, droeg waarschijnlijk bij aan zijn voortijdige dood. Alleen het Introitus was bij Mozarts overlijden klaar. Van enkele delen stond de basis al op papier, maar de laatste delen ontbraken. Zijn leerlingen, eerst Eybler, later Süssmayr, maakten het snel af, zodat weduwe Constanze het honorarium toch kon innen.

Kemme (1952), theoriedocent aan het Conservatorium van Amsterdam, maakte uit ontevredenheid met de voltooiing van Süssmayr (de bekendste) het werk zelf opnieuw af. Musicologen als Flothuis (in 1941), Beyer (1971), Maunder, Druce en Levin gingen hem voor, maar ook hun werk leverde volgens Kemme nog geen stijlgetrouw Requiem op.

„De delen die Süssmayr heeft gecomponeerd, bevatten waarschijnlijk wel ideeën van Mozart, die hij voor zijn dood nog mondeling en op briefjes doorgaf. Ik vind de basisgegevens ook niet slecht, het probleem zit meer in de uitwerking: onhelder, langdradig, slordig. Ook de moderne voltooiingen vind ik onbevredigend. Beyer is niet idiomatisch, Druce heeft charmante fragmenten, maar ook zwakheden. De Nederlander Marius Flothuis was de eerste; hij maakte zijn ‘verbeterde versie’ al in 1941 met als doel onder meer om de trombonepartijen geschikt te maken voor het ‘moderne’ Concertgebouworkest. Knap werk, maar niet wat we nu willen.

„In de delen waarvan de basis van Mozart bekend is, heb ik Süssmayers instrumentatie volledig vervangen. De delen die Süssmayr zelf componeerde, waarschijnlijk dus op basis van ideeën van Mozart, heb ik proberen te verbeteren. In het Sanctus heb ik de begeleiding meer ritmisch reliëf gegeven en de harmonie krachtiger gemaakt. Alleen de Hosanna-fuga heb ik helemaal opnieuw gecomponeerd, met meer thema-inzetten en een paar verrassende modulaties. Het Benedictus heb ik gesnoeid, want dat is bij Süssmayr veel te lang, met uitgebreide herhalingen van het tweede thema. Daar ga je zitten gapen.

„Mijn enige bron is Mozart zelf geweest. Ik heb al zijn muziek onderzocht; opera’s, andere missen, pianoconcerten. Het ‘Mozart-achtige’ is voor mij dan ook niet abstract of theoretisch, maar heel praktisch: hoe schrijft Mozart bepaalde bepaalde passages, met koor, met solisten, instrumentale tussenstukken?

„Mijn versie zal beslist niet de laatste zijn. Er kan ook nooit een definitieve versie komen – het werk is gewoon onvoltooid. Het enige dat je kunt doen, is proberen de naden tussen wat er van Mozart is en wat wij er noodzakelijkerwijs aan toevoegen zo onhoorbaar mogelijk te maken. Dat is een kwestie van voortschrijdend inzicht. Maar ook een oneindig verhaal. Ik wil er over tien jaar nog een maken.”

W.A. Mozart: Requiem, KV 626 (completering Clemens Kemme). Nederlandse Bachvereniging o.l.v. Johannes Leertouwer: 17/10 Alkmaar; 18/10 Naarden; 21/10 Den Haag; 22/10 Groningen; 23/10 Amsterdam; 25/10 Rotterdam. Info: www.bachvereniging.nl.

    • Jochem Valkenburg