Een canon die geen wet wil zijn

‘De canon van Nederland’, vandaag gepresenteerd door een commissie die werd ingesteld door het kabinet, wil geen dogma’s dicteren, maar ‘vensters’ openen op het verleden. Hoeveel nationalisme past er in een canon?

Rotterdam, 16 okt. - Daar zijn ze dan, de vijftig hoogtepunten uit de Nederlandse geschiedenis. Dit is onze canon, ofwel „die waardevolle onderdelen van onze cultuur en geschiedenis die we via het onderwijs aan nieuwe generaties willen meegeven”. Wel Annie M.G. Schmidt, (nog) geen Pim Fortuyn. Wel de gasbel van Slochteren, geen Batavieren. Wel De Stijl, geen verzuiling. Sinds vanmiddag heeft Nederland een canon. Het schieten kan beginnen.

De Commissie Ontwikkeling Nederlandse Canon, die onder voorzitterschap van mediëvist Frits van Oostrom ruim een jaar aan de canon werkte, verheugt zich op dat schieten. Sterker nog, debat over hun keuzes is een voorwaarde voor het slagen van de onderneming om historisch-culturele basiskennis te formuleren voor ieder Nederlands schoolkind, en eigenlijk voor iedere Nederlander.

De commissie is opmerkelijk genoeg de eerste om het belang van deze canon te relativeren. De canon is „open” en „dynamisch”. Het is géén keurslijf en géén dictaat. Geen zaligmakend einddoel, maar een „inspirerend fundament” om op verder te bouwen. Permanent onderhoud is gewenst. Want, aldus de commissie, wellicht geven toekomstige generaties wel de voorkeur aan Pim Fortuyn boven Vader Drees. Of aan Ali B. boven Annie M.G. Schmidt.

Met dit nadrukkelijke voorbehoud pareert de commissie op voorhand de meest voor de hand liggende kritiek op het begrip canon, dat de laatste jaren steeds meer aanwezig is in discussies over Nederland, nationale identiteit en cultuur. Een canon is geen van bovenaf opgelegde staatskennis, maar een handzame leidraad voor het onderwijs.

Ook over een ander gevoelig punt is de commissie glashelder. De canon is een doel op zichzelf, geen middel om iets anders te bereiken. Gedeelde cultuurhistorische kennis is geen vehikel om burgerschap of integratie te bevorderen. Daarmee distantieert de commissie zich van haar opdrachtgever, minister Van der Hoeven, die dat wel degelijk als nevendoel beschouwt. Voor de Onderwijsraad, waar de minister haar opdracht aan ontleent, staan burgerschap en „onze culturele identiteit” zelfs voorop.

De commissie wil niets weten van het begrip nationale identiteit; „in de internationale, multiculturele wereld van vandaag is het een bedrieglijk, ja gevaarlijk begrip”. Liever dan een defensieve benadering, met „de roep om culturele dijkbewaking of knorrige kennisrestauratie”, hanteert de commissie een positief motief. De canon is een verrijking voor het individu, geen reddingsmiddel voor de samenleving.

In twee efficiënte zinnen rekent de commissie af met het verwijt van voorspelbaarheid. „Dat onze canon geen spectaculaire verrassingen zal bevatten voor wie enigermate thuis is in de Nederlandse cultuurgeschiedenis, vindt onze commissie wel het tegendeel van een bezwaar. Het was er ons volstrekt niet om begonnen om welgeïnformeerde lieden te verbluffen met originele keuzes.”

canon De 20ste eeuw heeft de meeste vensters

Wat niet wegneemt dat er over de canon zelf vrolijk valt te discussiëren. Bijvoorbeeld over het ruime aantal personen. Maar liefst achttien van de vijftig ‘vensters’ zijn individuen. Daarmee botst de canon met de hedendaagse geschiedwetenschap, die liever kijkt naar ontwikkelingen en processen dan naar grote figuren. Weliswaar staan de personen in de canon voor een breder verhaal, maar zij zijn het vertrekpunt. Geografische aanduidingen of locaties zijn met dertien items ook goed vertegenwoordigd. Verder bevat de lijst acht gebeurtenissen of processen, vijf documenten, drie uitvindingen en drie niet te rubriceren onderwerpen.

Potentieel omstreden is ook de oververtegenwoordiging van het recente verleden. Verdeeld naar tijdvak ziet de lijst er als volgt uit: negen ‘vensters’ voor 1500, vier in de 16de eeuw, tien in de 17de, vijf in de 18de, zes in de 19de en zestien in de 20ste eeuw. Opmerkelijk is de kanttekening bij ‘Srebrenica’. De commissie heeft geaarzeld over opname. Niet om inhoudelijke redenen, maar omdat de gruwelijke beelden lastig te gebruiken zijn in het onderwijs.

Er kan worden gediscussieerd over het bescheiden internationale perspectief. Hoewel minister Van der Hoeven (Onderwijs, CDA) in haar opdracht vroeg om „kennis over Nederland in een internationale, vooral Europese context”, blijft die context beperkt tot Karel de Grote, de Atlas Major van Blaeu en het slot-item Europa. Vreemd is de tekst bij het venster ‘veelkleurig Nederland’, die zich richt op bijzonder onderwijs. En dan is er nog de naam van Johan van Oldenbarnevelt, die in de canon met dt wordt geschreven.

Minstens zo interessant als de lijst met vijftig vensters is het begeleidende verhaal van de canoncommissie. Dat verhaal is een even overtuigende aanbeveling van de Nederlandse cultuurhistorie als de canon zelf. Omdat het zo ontzettend goed geschreven is. Helder, zorgvuldig, met veel liefde voor taal. Geen dikdoenerij, maar bescheiden zelfspot. Neem de slotzin van het Woord vooraf. „De canon is wat kabinetten en commissies ruimschoots overleeft.”