De co-piloot bepaalt de koers

Ab Klink is de souffleur van premier Balkenende. Hij is de denker achter het moderne CDA, die pleit voor minder overheid en meer verantwoordelijkheid van burgers en organisaties. Volgens critici heeft hij te veel invloed. „Het CDA is nu te liberaal.”

Ab Klink, dé intellectueel van het CDA: „In het Nieuwe Testament lees ik dat de overheid geen geloof kan opleggen, geen huwelijkse trouw kan bieden. Religie en moraal komen van binnenuit. Dat staat centraal voor mij.” Foto Roel Rozenburg Den Haag:10.10.6 Ab Klink, directeur CDA/WI. © foto Roel Rozenburg Rozenburg, Roel

In de zomer nam Ab Klink een laptop mee op vakantie. Zittend voor zijn huisje, aan het Italiaanse Gardameer, ging hij schrijven aan het verkiezingsprogramma van het CDA. Fractieleden hadden teksten aangeleverd, de leden hadden er in praatsessies over mogen debatteren. Maar het programma was bij lange na niet klaar. En er was haast bij. Het kabinet-Balkenende II was eind juni gevallen, het nieuwe minderheidskabinet-Balkenende III vervroegde de Tweede-Kamerverkiezingen van mei 2007 naar november.

Het verkiezingsprogramma van het CDA is vooral een stuk van Ab Klink, zegt Hans Franken, Eerste-Kamerlid voor de Christen-Democraten. Klink, directeur van het Wetenschappelijk Instituut van het CDA en ook senator, mocht er als secretaris van de programmacommissie de laatste hand aan leggen. „Als secretaris speelt hij een cruciale rol. Hij moet zorgen dat er geen wilde dingen in staan en de koers van de partij in de gaten houden”, zegt Franken.

Het programma is te lezen als een pleidooi voor een kleinere overheid, voor meer eigen verantwoordelijkheid van individuele burgers, voor maatschappelijke ondernemingen. Franken: „Ab maakt geen geheim van wat hij wil. Dat zie je in het programma terug.”

Sylvester Eijffinger, hoogleraar economie in Tilburg en Rotterdam en bestuurslid van het Wetenschappelijk Instituut, zegt dat Ab Klink „ontzettend belangrijk is geweest voor de renaissance van het CDA”. „Het programma ademt van a tot z de ideeënwereld van Klink.” Toch is Ab Klink nauwelijks bekend bij het grote publiek. „Hij houdt er niet van in het middelpunt van de belangstelling te staan”, zegt Eijffinger. Hans Franken: „Ab is plezierig en soepel, iedereen vindt hem aardig. Maar hij weet heel goed wat hij wil.”

Een van zijn beste vrienden, de Rotterdamse wethouder Leonard Geluk, zegt dat Klink „maximale invloed wil uitoefenen om zijn hoogste idealen te bereiken”. „Hij weet dat je dat niet doet door het Journaal te halen.” Het Wetenschappelijk Instituut is naar het centrum van de macht in het CDA gekropen, zegt Paul Kalma, directeur van de Wiardi Beckman Stichting, de sociaal-democratische tegenhanger van het Wetenschappelijk Instituut. Kalma zelf, of andere directeuren van wetenschappelijke bureaus, kunnen daar bij hun partij niet aan tippen.

„Ab is een van de belangrijkste vormgevers van het christen-democratische gedachtegoed”, beaamt Geluk. „Maar hij zorgt er ook voor dat de politiek er iets mee doet.” Geluk zet Ab Klink op de derde plaats van meest invloedrijke christen-democraten in Nederland, na premier Balkenende en fractievoorzitter Maxime Verhagen.

Waar begon het? Met de politieke discussies aan tafel? In elk geval raakte Klink (48) in zijn tienerjaren geïnteresseerd in politiek. Hij zag een debat in de Tweede Kamer over werkloosheid dat VVD’er Hans Wiegel had aangevraagd. „Die man maakte indruk op me”, zegt Klink. „Ik dacht: daar wil ik later werken.”

Niet dat daar sprake van kon zijn. Ab Klink groeide op in een gezin dat hem bescheidenheid bijbracht. Met zijn ouders, broer en twee zusjes ging hij op zondag naar de kerk, de orthodoxe Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk. Hij zat op een reformatorische school op Goeree-Overflakkee, „een school met brave lieden”. Het ging thuis vaak over politiek, zegt Klink over zijn jeugdjaren. Zijn vader stemde SGP, soms GPV. „Hij had veel politiek gevoel. Mijn vader had niet doorgeleerd, maar zei op een dag: die Lubbers, dat wordt een hele grote. Ruud Lubbers was nog maar net Kamerlid.” Toen hij vertelde van zijn bezoek aan de Tweede Kamer, zei zijn vader: „Dat zal niet gaan, jongen. Je zit op de mavo.”

Na een inhaalrace op het havo en atheneum kon Ab Klink alsnog studeren. Het werd sociologie, in Rotterdam. Maar het studentenleven was niks voor hem. „Ik was onthutst toen ik om me heen keek. Ik was maar een keurige jongen van de Zuid-Hollandse eilanden.” Hij las veel in die jaren: de Deense theoloog en filosoof Kierkegaard, de Duitse socioloog Max Weber. Klink dacht aan een baan als leraar, maar belandde in 1984, op 25-jarige leeftijd, bij toeval op het Wetenschappelijk Instituut van het CDA. „Ik kreeg een baan als medewerker aangeboden en nam die meteen aan. De politiek was al een beetje uit beeld verdwenen, maar ik was, net als velen, bang dat ik geen baan zou vinden.”

Op het Wetenschappelijk Instituut maakte hij kennis met twee generatiegenoten die ongeveer gelijktijdig waren begonnen: Yvonne Timmerman-Buck en Jan Peter Balkenende. „We deelden iets”, zegt Klink. Het was het begin van een hechte vriendschap, die tot vandaag voortduurt. Ze praatten over het inrichten van de samenleving, en de rol die het CDA daarbij moest spelen. Balkenende had de radicaalste ideeën. Klink: „Jan Peter komt uit de gereformeerde traditie van Abraham Kuyper, die Gods Koninkrijk op aarde wilde vestigen. Hij wilde de samenleving veranderen. Ik was als echte gereformeerde-bonder wat beschouwelijker, meer van het innerlijke leven.”

Balkenende, Timmerman-Buck en Klink beïnvloedden elkaars ideeën sterk. Dat blijkt ook uit de proefschriften die Klink en Balkenende eind jaren tachtig schreven. Hans Franken, hoogleraar en toen nog voorzitter van het Wetenschappelijk Instituut, had een „grote wens” dat de jonge medewerkers zouden promoveren. Het waren de hoogtijdagen van het CDA, onder premier Lubbers. Maar een gezamenlijk ideologisch fundament ontbrak in de jonge fusiepartij van katholieken en protestanten. Klink: „Door het succes van Lubbers was aan het oog onttrokken dat het CDA diepgang miste.” Franken: „Er was geen samenhangende visie op wat christen-democratie eigenlijk is.”

Klink promoveerde in 1991 bij Franken aan de Universiteit van Leiden met het proefschrift ‘Christen-democratie en overheid’. Hij had boeken van katholieke en protestantse politici uit het verleden bestudeerd, zoals Kuyper, Groen van Prinsterer en Schaepman. Hij schreef dat volgens het CDA mensen op basis van een „eigen verantwoordelijkheid” keuzes moeten maken. Hij baseerde dat op het protestantse ideaal van „soevereiniteit in eigen kring” en het katholieke principe van „subsidiariteit”, wat betekent dat de overheid alleen taken vervult als maatschappelijke organisaties dat niet kunnen.

Balkenende pleitte een jaar later in zijn proefschrift ook voor een grotere rol voor organisaties en meer zelfregulering. Klink: „In het Nieuwe Testament lees ik dat de overheid geen geloof kan opleggen, geen huwelijkse trouw kan bieden. Religie en moraal komen van binnenuit. Dat staat centraal voor mij.”

De toon voor het nieuwe CDA was gezet, terwijl het oude CDA nog aan de macht was. Na Lubbers’ vertrek, in 1994, leed het CDA de grootste verkiezingsnederlaag uit de geschiedenis. De partij belandde in de oppositie. Intern was er een machtsvacuüm.

En dan ontstaan de groepjes, zegt Sylvester Eijffinger. Een club jonge CDA’ers vond elkaar. Balkenende, Timmerman-Buck en Ab Klink, die inmiddels ambtenaar op het ministerie van Justitie was, richtten een groepje van zo’n twaalf man op dat maandelijks bij iemand thuis at.

In die tijd ontstond een tweede groepje, het Schlemmerberaad. De Rotterdamse bedrijfskundige Kees Koedijk had de leiding, maar ook Balkenende speelde er een prominente rol in. De groep jonge CDA’ers ontleende zijn naam aan het Haagse café Schlemmer waar zij bijeenkwamen. Er werd gediscussieerd, gegeten en veel gelachen. „Het was een prachtige periode”, zegt Eijffinger. „Vrijblijvend praten over hoe het verder moest met de partij.” De Tilburgse hoogleraar economie Lans Bovenberg zat er ook in. „We maakten vooral lol. Toen Jan Peter zei dat hij de landelijke politiek in wilde, moesten we daar hard om lachen.”

Ook Klink werd uitgenodigd om mee te doen. Zijn eetgroepje en het Schlemmerberaad hadden een „personele unie”, zegt hij. De mensen die toen bijeenkwamen, vervullen nu bijna allemaal sleutelposities in het CDA. Oud-wethouder van Rotterdam René Smit, nu voorzitter van het college van bestuur van de VU, is voorzitter van de programmacommissie. Sylvester Eijffinger, Kees Koedijk en Lans Bovenberg werden de belangrijkste economische denkers van het CDA. Balkenende belandde in 1998 in de Tweede Kamer, Klink werd een jaar later directeur van het Wetenschappelijk Instituut. De groep is hecht gebleven, zegt hij. Al hield het beraad zelf in 1999 op te bestaan, de leden bellen „drie tot vier keer per dag”, meestal om de actuele politiek te bespreken. Bovenberg: „Ab schakelt die mensen steeds in voor commissies en bijeenkomsten.”

Dat Klink directeur werd, is volgens hemzelf een „strategische keuze” van de toenmalige partijleider, Jaap de Hoop Scheffer. Hij wilde het netwerk „activeren”, zegt Klink. De Hoop Scheffer nodigde de leden vaak uit bij de fractie. Lans Bovenberg: „In het Schlemmerberaad werden allerlei wilde ideeën gespuid. Maar nu kwam er ook invloed. Het Wetenschappelijk Instituut analyseerde de ideeën en deed concrete voorstellen.” Het Wetenschappelijk Instituut van Klink publiceerde rapporten over hervorming van de verzorgingsstaat, onder meer door het zorgstelsel „vraaggestuurd” te maken en de WAO te hervormen. Klink schreef een kritisch stuk over de multiculturele samenleving.

In september 2001 ontstond een nieuwe crisis in het CDA. Een conflict tussen partijvoorzitter Marnix van Rij en fractievoorzitter Jaap de Hoop Scheffer leidde tot het vertrek van beiden. Opnieuw was er, heel kort, een machtsvacuüm. Een dag na het vertrek van De Hoop Scheffer trad Klink op in het tv-programma Buitenhof. Hij zei dat Jan Peter Balkenende of eventueel Pieter van Geel de nieuwe politiek leider van het CDA moest worden. De volgende avond werd Balkenende door het partijbestuur aangewezen.

In de drie kabinetten-Balkenende is de agenda van de jonge Balkenende en Klink goed terug te zien, vinden alle ondervraagden. Niet langer bepaalt, volgens hen, de overheid wat mensen moeten kiezen. Er is meer marktwerking in de zorg, bijvoorbeeld. Bovenberg: „Ab is belangrijk voor Jan Peter gebleven. Hij is de intellectuele gesprekspartner die met ideologische voeding komt.”

Gerd Leers, tot 2002 Kamerlid en nu burgemeester van Maastricht, voelde zich in de jaren negentig verwant aan de groep rondom Balkenende en Klink. Ook hij vond dat de overheidsbemoeienis was doorgeschoten. Maar hij vindt nu dat het CDA te ver opschuift. „De burger heeft, zoals Klink wilde, meer verantwoordelijkheid gekregen. Maar het liep vaak uit op privatiseringen.”

Het is niet vreemd dat er een „tegenbeweging” in het CDA op gang komt, zegt Leers. Hij vergelijkt Balkenende en Klink met een piloot en een co-piloot, die de passagiers niet vertellen waar ze heen vliegen. „Ze gaan op hun doel af. Maar de mensen in het vliegtuig zijn onrustig. Ze leggen niet uit wat hun missie is.” Paul Kalma: „Het CDA is ook de partij van het rentmeesterschap, van gerechtigheid en kritiek op de vercommercialisering van de samenleving. Dat is ondergesneeuwd.”

Oud-fractievoorzitter Bert de Vries was vorig jaar de eerste partijprominent die het beleid van de CDA-top „neoconservatief” noemde. Door mensen bang te maken voor een naderende vergrijzingsgolf, kon het kabinet rigoureus ingrijpen in de verzorgingsstaat, onder meer door te snijden in pensioenregelingen. Klink en Lans Bovenberg reageerden in deze krant. „Er snel Amerikaanse toestanden doorheen drukken” was niet aan de orde, waar hád De Vries het over. „Zo zet hij de politiek ten onrechte in een kwaad daglicht.”

Nu zegt Bovenberg: „Bert de Vries is een representant van een breder gevoel dat het CDA te liberaal is geworden.” Bovenberg heeft „de indruk” dat het Wetenschappelijk Instituut van Klink „vaak harder loopt dan de achterban”. „De ideeën die intellectuelen als hij bedenken, zijn niet voldoende geworteld bij de afdelingen.” Klinks PvdA-tegenhanger Kalma: „Een wetenschappelijk bureau moet een vrijplaats zijn voor onderzoek en debat, het moet tegenwicht bieden. In het CDA zet het zélf de koers van de partij uit.”

Het door Klink geschreven concept-verkiezingsprogramma werd door de leden soms te wild bevonden. Studenten in de masterfase zouden bijvoorbeeld vijf keer meer gaan betalen. Daardoor zouden zij hun studie weer als een investering in hun toekomst gaan zien. Het congres draaide het plan terug.

De kiezer, ook de CDA-kiezer, is volgens Bovenberg „hervormingsmoe”. „Dat heeft Balkenende na het verlies bij de gemeenteraadsverkiezingen goed begrepen. Hij straalt nu uit dat de burger na alle hervormingen mag uitblazen. Partijvoorzitter Van Bijsterveldt heeft al een paar keer gezegd dat de denkers niet te veel voorop mogen lopen ten opzichte van de basis van de partij. En Ab is de voorman van de intellectuele voorhoede.”