‘Waanzin wat er soms met kinderen gebeurt’

Nederlandse voetbalclubs hebben altijd geld te kort. De meeste zijn aangewezen op talentjes die worden ontdekt bij de amateurs. „Profclubs spelen in feite met de gevoelens van een heel gezin.”

Jeugdscout Luit Zwaneveld in Assen op zoek naar talentjes bij de wedstrijd ACV E1-ONR E1. (Foto Sake Elzinga) Assen- 07-10-2006 FC Groningen voetbal scout Luit Zwaneveld tijdens de wedstrijd van de E jeugd ACV-O&R. Foto: Sake Elzinga Elzinga, Sake

Elke zaterdag is het weer spannend. Zit er een nieuwe Huntelaar tussen? Of een Van der Sar? Terwijl de zevenjarige voetballertjes in alle vroegte nietsvermoedend aan het ballen zijn, kijken ze toe. De honderden jeugdscouts.

Namens de profclubs stropen ze de amateurvelden af op zoek naar jonge talentjes, acht, soms zeven jaar oud. Dat doen ze zó grondig dat onbekende talenten van elf jaar – bij welk provincieclubje dan ook – in de praktijk niet meer bestaan. „Op die leeftijd zijn de goeden al bekend, vaak bij meer clubs”, zegt Luit Zwaneveld, één van de veertien jeugdscouts van FC Groningen.

Hij meldt zich op de vroege zaterdagochtend in de bestuurskamer van ACV in Assen. „Uit fatsoen”, zegt hij vlak voor een jeugdwedstrijd tussen ACV en ONR. Hij heeft een tip gekregen over een spelertje. „En ik kijk naar vier jongens die al op onze voetbalschool zitten.”

Nederlandse voetbalclubs hebben altijd geld te kort. Ze zijn aangewezen op ‘eigen kweek’, meestal voetballertjes die jong worden ontdekt bij amateurclubs. Hoe jonger, hoe beter, want de concurrentie is groot, zegt Rob Wijnstok, één van de dertien jeugdscouts bij ADO Den Haag. „Ik sta soms bij een jeugdwedstrijd naast scouts van Ajax, Feyenoord en Sparta. We vissen allemaal in dezelfde vijver. Scouts zijn de beste sponsors van het betaald voetbal. Een Huntelaar komt echt niet zomaar binnenlopen.” Wijnstok ontdekte ooit Tscheu La Ling, Martin Jol en Johnny Dusbaba. Hij schat het aantal jeugdscouts bij profclubs op meer dan driehonderd. „Feyenoord en Ajax hebben er alleen al meer dan twintig.”

Scouten is een vak. „Arjen Robben scouten kan mijn grootmoeder ook”, zegt Zwaneveld. „Je zoekt vooral jongens die met gerichte training goed kunnen worden.” Wijnstok: „Doorzien dat een trage spits een goeie voorstopper kan worden.” Ze letten vooral op hoe een voetballertje beweegt, op zijn motoriek. „Als dat rond je tiende niet goed is, wordt het nooit meer wat”, zegt Zwaneveld langs de lijn. Hij is onder de indruk van een paar spelertjes, maar namen noemt hij niet. Dat wekt misschien valse verwachtingen.

Want het hoofd van een achtjarige is snel op hol gebracht. Scouts zoeken zelf geen contact, ze kijken alleen en vragen via de jeugdtrainer naar de naam van het talent. De profclub nodigt het talent daarna, volgens KNVB-regels, voor een stage uit via het bestuur van de amateurclub. En wie bevalt mag blijven. ADO en FC Groningen nodigen jaarlijks elk zo’n zeventig jongens uit.

Of ze ingaan op de uitnodiging, hangt van de ouders af. Wijnstok: „Sommigen zeggen: hij is nog te jong, te speels. Als ze twijfelen dringen we niet aan. Het jongetje staat voorop.” Het is belangrijk dat de ouders met beide benen op de grond staan, zegt hij. „Als zij denken dat hij de spanning niet aankan, moeten ze het niet doen. Het probleem is soms dat veel ouders zó gelukkig zijn als hun zoon wordt gevraagd.”

Toch heeft Wijnstok er geen moeite mee dat ADO jongens al zó jong uitnodigt. „Ouders wordt uitgelegd wat hun zoon kan verwachten, ook de nadelen: dat hij veel moet trainen, dat hij soms reserve is, dat presteren stress veroorzaakt. En ook dat na een tijdje kan blijken dat hij niet goed genoeg is.” Een afwijzing betekent niet direct dat een droom uiteenspat. „Die jongens zien zelf tijdens de stage ook dat anderen beter zijn.”

Wie na de stage afvalt, gaat terug naar zijn club. FC Groningen geeft als troost een diploma en een vrijkaartje. Maar alle namen worden vastgelegd. Zwaneveld schat dat hij er zevenhonderd in zijn bestand heeft.

De vraag rijst wat er gebeurt met de jongens die in de molen van het betaald voetbal raken. Hoeveel uitverkoren jongetjes van acht of negen worden uiteindelijk prof? Eén op de vijftien? „Ik heb het gevoel dat het ‘slagingspercentage’ nog veel lager ligt. Als je Ajax A1 haalt ben je ongeveer zeventien. Dan nog is de kans meer dan 50 procent dat je niet verder komt dan de eerste divisie”, zegt psycholoog Jacques van Rossum van de faculteit Bewegingswetenschappen van de VU, die eerder talentvolle volleyballers en atleten bestudeerde tijdens hun gang naar de top. „Probleem voor wetenschappers is dat de deur dichtgaat als je het aantal afvallers in beeld wilt brengen. Jaren terug heb ik op initiatief van de KNVB met een collega gewerkt aan een plan om het opleidingsrendement in het profvoetbal in kaart te brengen, maar dat werd onder een nieuwe directeur afgeschoten – was kennelijk te bedreigend. Uiteindelijk zijn de meeste mensen bij een profclub gewoon kooplui. Statistische gegevens worden dan snel gezien als bedrijfsgeheimen.”

Op zichzelf heeft hij geen probleem met de talentenjacht. „Clubs hebben wél de morele plicht om een kind te volgen als dat bijvoorbeeld na twee jaar is afgevallen. Maar als je dat zegt, wordt het aan de andere kant erg stil. Profclubs spelen in feite met de gevoelens van een heel gezin. Dat klinkt misschien wat moralistisch, maar daar zit wel de crux.”

Om de kinderen en hun ouders te beschermen tegen uitwassen heeft de KNVB regels opgesteld, maar Ruud Bruijnis, directeur amateurvoetbal, geeft toe dat die niet zaligmakend zijn. „De amateurvereniging moet toestemming verlenen als een profclub hun lid wil uitnodigen voor een stage. Maar als die vereniging nou ‘nee’ zegt? Veel ouders zullen direct hun kind van die club halen.”

Bruijnis vindt het „waanzin wat er met kinderen gebeurt” bij de profclubs. „Het heeft nauwelijks zin zó jong te selecteren. Maar alle clubs zijn bang om een Cruijff te missen.” Volgens Van Rossum hebben clubs niet voor niets hun eigen opleiding. „Een regionale opleiding is logischer. Maar iedereen is bang dat de grote vis wegzwemt.”

Typerend zin de samenwerkingsverbanden die Feyenoord aangaat met amateurclubs in de Haagse regio. „Feyenoord zegt tegen die clubs: als ADO zich meldt voor een talentje, moet je dat ons melden”, zegt Wijnstok, ex-scout van Feyenoord. „Ik scout dus eigenlijk niet alleen voor ADO, maar ook voor Feyenoord.”

Via opleidingen probeert ‘Zeist’ het proces te beheersen. Bruijnis: „We proberen begeleiders en ouders te bewegen voorzichtig te zijn. ‘Doe normaal’ is eigenlijk de boodschap. Wacht gewoon tot een kind een jaar of twaalf is.”

Volgens Van Rossum hebben de scouts een bijna onmogelijke taak. „Zij kijken naar kinderen tussen zes en tien jaar. Maar op die leeftijd is het heel moeilijk te voorspellen hoe ze zich fysiek en geestelijk ontwikkelen tot hun zeventiende.”

Dat clubs talenten zo jong willen strikken heeft ook met geld te maken. Vanaf hun twaalfde jaar moeten profclubs de amateurclub opleidingskosten betalen als zij een talentje overnemen. En bij veel profclubs betalen kinderen tot die leeftijd gewoon contributie.

Van Rossum voorziet niet snel veranderingen. „Het wereldje draait rond de oud-profs. Die zijn toch ook door schade en schande wijs geworden? Die zijn toch ook niet slechter geworden door een harde selectie? Zo wordt er geredeneerd. Dat zij zelf één van de geslaagden zijn op een heleboel missers wordt niet ingezien. Zo’n wereld houdt zichzelf in stand.”

Een wereld die hard kan zijn. Zoals het jongetje dat van zijn maatjes hoorde dat hij tijdens een toernooi gescout was door RKC. Zijn naam was immers opgeschreven door een mijnheer van die club. Dikke tranen biggelden over zijn wangen, vertelde zijn coach later. De achtjarige wilde helemaal niet naar Waalwijk. Iedereen wist toch dat hij naar Ajax wilde.

    • Rob Schoof
    • Erik van der Walle