Kort depressiegen zorgt voor overgevoelige hersenen

Een actieve amygdala is op MRI-opnamen zichtbaar als een oplichtende punt, hier geel gekleurd. Bij mensen met een kort serotoninetransportgen (die zijn gevoelig voor depressie) is het gebied ‘in rust’ al actief. En juist minder actief tijdens het bekijken van foto’s met ernstige en droevige gezichten. Bij mensen met een lang serotonine-transportgen is het net andersom. (foto science) science

Kwetsbaarheid voor depressieve gevoelens blijkt sterk afhankelijk van iemands genetische aanleg. Bij mensen met een korte variant van het gen voor serotoninetransport zijn de hersengebieden die een rol spelen bij emoties en angst, constant overprikkeld, zo laat een team van Duitse en Amerikaanse psychobiologen zien in de Proceedings of the National Academy of Sciences (online, 9 oktober)

De genetische variant die zo kwetsbaar maakt voor depressies, bevat de code voor het serotonine-transporteiwit. Dat eiwit zorgt voor de heropname van serotonine nadat die chemische boodschapperstof is uitgescheiden in de synapsspleet tussen twee cellen. Een antidepressivum als Prozac werkt door het blokkeren van dit eiwit. De afgelopen tien jaar is veel onderzoek gedaan naar kleine variaties in de DNA-volgorde van het serotonine-transportgen. Er is een lange en een korte variant. De korte versie maakt weinig transporteiwit, met als resultaat minder heropname en meer serotonine in de synapsspleet. Bij de lange versie is het andersom. Waarom het korte gen gevoelig maakt voor depressies is onbekend, want het doet juist wat antidepressiva doen. De verklaring is vermoedelijk dat het korte gen een heel leven lang voor een teveel aan serotonine zorgt en dat de hersencellen daardoor afgestompt raken.

De psychobiologen hebben nu 48 gezonde volwassenen uitgebreid getest. Bij genetisch onderzoek bleek tweederde van hen één of twee korte versies van het gen te bezitten. Deze deelnemers zijn samengevoegd in de S-groep (S=short). De resterende eenderde had twee lange genen: de L-groep. Iedereen erft twee kopieën van het gen, een van iedere ouder.

De proefpersonen kregen vervolgens angstige, gelukkige, droevige of neutrale gezichten te zien, terwijl er tegelijk een functioneel MRI werd gemaakt. De S-deelnemers bleken in rust al een verhoogde zenuwactiviteit in de amygdala en de hippocampus te vertonen, twee hersengebieden die een sleutelrol spelen bij emoties. Ook de doorbloeding van die gebieden was bij de S-groep in rust gemiddeld hoger dan bij de L-groep.

Het vreemde was dat bij blootstelling aan droevige en angstige gezichten de activiteit bij de S-groep juist afnam, terwijl de activiteit bij de L-groep dan groter werd.

De hoge hersenactiviteit in rust bij de S-deelnemers had niet te maken met een overmatige blootstelling aan stressvolle levenservaringen. Uit vragen over problemen op het werk, financiële en juridische verwikkelingen, sterfgevallen en ernstige ziekte in de familie bleek dat die in de L-groep juist meer waren voorgekomen. Blijkbaar verkeren mensen met een kort transportgen in een constante toestand van overprikkeling, terwijl ze tegelijk nauwelijks gevoelig zijn voor echte emoties. Ze peinsden veel over alles wat hen was overkomen, meer dan de L-groep, en ook dat is een belangrijke risicofactor voor depressies.

Bart Meijer van Putten

    • Bart Meijer van Putten