De barricades voorbij

Ooit verdedigde Willem van Bennekom liever terroristen dan dat hij rechter werd. Later trad hij toch toe tot het bolwerk van de rechterlijke macht.

„Ik leed aan wat je tegenwoordig een tunnelvisie zou noemen.”

Nederland, Amsterdam, 04-10-2006 Mr. Willem Van Bennekom, vice-president van de rechtbank in Amsterdam. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Cremers, Roger

In zijn werkkamer op de Amsterdamse rechtbank staat een boeddhabeeld op de ijzeren kast en hangt een toga aan de kapstok. Het is de dag vóór de laatste zitting van vreemdelingenrechter en vice-president Willem van Bennekom, hoewel hij na zijn pensionering rechter-plaatsvervanger blijft en ook nog schrijft aan enkele tientallen vonnissen. Een daarvan betreft de zaak van de Eindhovense imams. Minister Verdonk (Vreemdelingenzaken en Integratie) besloot begin vorig jaar drie buitenlandse imams van de als radicaal bekend staande Al Fourqaan-moskee het land uit te zetten. Volgens de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) droegen ze bij aan de radicalisering van moslims. Twee imams vochten het ministeriële besluit aan.

Van Bennekom en twee andere rechters moeten dit besluit toetsen. Daarvoor wilden ze onder meer kunnen beoordelen of de AIVD het gevaar van de imams niet overdrijft. Maar de documenten waarop de AIVD dit baseert zijn geheim, en staatsgeheimen mogen het AIVD-gebouw niet uit. De drie rechters en hun griffier reisden naar Leidschendam, waar ze in een kamer van het AIVD-hoofdkwartier (‘de Beelzaal’) de stukken mochten lezen. Aantekeningen moesten ze inleveren bij vertrek.

Dat was nogal een handicap, zegt Van Bennekom. „Je kunt geen ordners tegelijk onthouden, dus het verplicht je eigenlijk ter plekke te ‘raadkameren’ (overleggen over het vonnis, red.). Maar je hebt niet het hele dossier bij je en je overlegt liever in de vertrouwde setting van je rechtbank.” Hoe hebben ze dat opgelost? „We hebben ieder voor zich direct na afloop aantekeningen gemaakt en die zo snel mogelijk met elkaar vergeleken.” Ze bleken redelijk hetzelfde beeld te hebben en kwamen uiteindelijk op de rechtbank tot hun beslissing. Daarover mag Van Bennekom nog niets zeggen; de uitspraak komt binnenkort.

Willem van Bennekom praat zoals veel rechters praten: formeel, bedachtzaam en zichzelf onderbrekend met zinnen als Hoe zeg je dat nu precies. Hij lijkt ver af te staan van de linkse barricade-advocaat die hij was in de jaren zeventig, die IRA- en RAF-terroristen verdedigde en, naar hij zelf zegt, graag schoot vanuit de heup. „Ik zocht de aandacht van de media, nam rigoureus stelling en gebruikte grote woorden als: justitie is onbetrouwbaar.”

Maar in zijn stellingnamen is ook de rechter Van Bennekom radicaler dan gemiddeld. Terwijl rechters volgens vast gebruik in stilte accepteren dat een hoger rechtscollege hun vonnis vernietigt, en die hogere rechtbank zeker niet in het openbaar aanvallen, staat Van Bennekom bekend als criticus van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die het hoger beroep in vreemdelingenzaken behandelt. Hij vindt die vaak te mild voor minister Verdonk en onrechtvaardig hard voor de vreemdeling. Veel wetenschappers delen die kritiek. Ook het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heeft Nederland – en de Raad van State – vorig jaar teruggefloten in een asielzaak.

Voor zijn dagelijks werk heeft dat weinig veranderd. Als Van Bennekom een vreemdeling gelijk geeft en minister Verdonk gaat in hoger beroep, dan wint zij vrijwel altijd. De rechter mag van de Raad van State alleen beoordelen of de minister volgens de regels tot haar beslissing heeft kunnen komen. Veel andere vragen – of vrees voor vervolging plausibel is, of het regime op bajesboten niet te sober is, of de politie heeft gediscrimineerd bij de aanhouding van een illegaal – moet hij buiten beschouwing laten. Doet hij dat niet, dan wordt zijn uitspraak vernietigd.

Zo verscheen afgelopen zomer een man voor Van Bennekom die tijdens zijn werk was gearresteerd. Twee agenten zagen hem kokosnoten verkopen voor een Surinaamse groentewinkel. Daarop gingen ze naar binnen, aldus het proces-verbaal, om te controleren of hij illegale arbeid verrichtte. „Maar wat was nou precies de aanleiding om te gaan controleren?”, zegt Van Bennekom. „Dat hij kokosnoten verkocht of dat hij een pikzwarte Indiër was?” Hij oordeelde dat op grond van het proces-verbaal niet kon worden uitgesloten dat de politie discriminerend was opgetreden en dat de man moest worden vrijgelaten. In hoger beroep draaide de Raad van State dat terug. Reden: de rechter had zich uitgelaten over bevoegdheden die niet zijn gebaseerd op de Vreemdelingenwet, en was zo buiten zijn boekje gegaan. „In deze gevallen is controle op discriminatie door de politie nu in feite afwezig”, zegt Van Bennekom. „Ik vind dat een slechte zaak.”

Rechters mogen doorwerken tot ze 70 zijn. Is het uit frustratie dat Van Bennekom al op zijn 65ste vertrekt? „Nee, ik heb wegen gevonden om iets met mijn onvrede te doen, bijvoorbeeld door ermee naar buiten te treden op congressen en via de vakpers.” Zou het de rechtspraak niet ten goede komen als rechters vaker hun kritiek uiten, in plaats van alleen bij of ver na hun afscheid? De Amsterdamse oud-rechter en -vice-president Rob Blekxtoon zei op een congres dat strafrechters niet kritisch genoeg zijn over de politie en het Openbaar Ministerie, en dat dit dwalingen tot gevolg heeft als die bij de Schiedammer parkmoord – waarin een onschuldige vier jaar vastzat. Zijn eigen kritische houding zou promotie binnen de rechtbank in de weg hebben gestaan. Waarom kwam hij daar nu pas mee?

Van Bennekom heeft zich over die uitspraken verbaasd. „Ik ben ook niet de makkelijkste, maar ik heb nooit iets gemerkt van obstakels die mij of collega’s in de weg werden gelegd bij een promotie. En zonder meer afgaan op de processen-verbaal van de politie is in elk geval niet hoe ik de afgelopen jaren heb gewerkt.” Los daarvan is de ruimte voor een rechter-in-functie om kritiek te uiten beperkt, zegt hij. „Je hebt je te houden aan ongeschreven regels die er niet voor niets zijn. Over zaken van een collega laat je je niet uit, omdat je nooit het dossier goed genoeg kent. Alles wat je te zeggen hebt over je eigen zaken, leg je neer in je vonnis. Je doet er niet via andere kanalen nog eens een schepje bovenop.”

Zoutend zout

Van Bennekom stamt uit een gezin met een missie, vertelt hij een week later in zijn Amsterdamse achtertuin. Hij draagt dezelfde kleren als op de rechtbank, een spijkerbroek en een donkerblauwe colbert, en draait nu shag tijdens het praten. Zijn vader was Tweede Kamerlid voor de ARP, „een echte mannenbroeder”. „Mijn ouders behoorden tot de gereformeerde midden-orthodoxie, ze stamden uit de wereld van Abraham Kuyper. Het was de vleugel die zoals mijn vader zei ‘zoutend zout’ wilde zijn in de samenleving. Je moest bouwen aan het koninkrijk Gods op aarde.” Toen het gezin van Den Haag naar Zeeland verhuisde omdat vader daar directeur werd van een kweekschool, zou Willem net naar de hbs gaan. „Op Walcheren was geen christelijke school voor voortgezet onderwijs. Die richtte mijn vader dan op. Ik werd ingeschreven als leerling nummer 2; de zoon van de dominee was nog iets eerder.”

Willem van Bennekom, de middelste van vijf kinderen, deed geen belijdenis en liet zijn twee dochters niet dopen. Maar hij zette zich ook nooit af tegen het geloof van zijn ouders. „Ik ben ervan overtuigd dat noch de Bijbel, noch de Thora noch de Koran een oplossing biedt voor maatschappelijke vraagstukken. Aan de andere kant kan ik me wel voorstellen wat Lubbers eens vertelde, dat hij als het moeilijk werd weleens op de knieën ging bij een crucifix in het Torentje.” Niet dat hij daar zelf de neiging toe heeft. „Ik kan me niet herinneren dat ik ooit om kracht van boven heb gebeden. Ook niet in zo’n imamzaak.”

Als beginnend advocaat hield Van Bennekom zich eind jaren zestig in Alkmaar bezig met burenruzies en zaken als de vernietigde wijnvoorraad van de pastoor van Wervershoof. Maar hij kwam al snel in aanraking met het toen nog jonge vakgebied van het vreemdelingenrecht. Een groep Amsterdamse vrijwilligers die net als hij hadden gestudeerd aan de Vrije Universiteit, onder wie de huidige schrijver Geert Mak en vreemdelingenadvocaat Frits Koers, vroeg hem regelmatig om juridisch advies. De groep spande zich in voor de bescherming van de vrijheidsrechten en had daarvoor een stichting opgericht, ‘Release’. „Echt jaren zestig. Een hippie wiens gitaar op het Leidseplein in beslag genomen werd, een weggelopen kind, een Portugese gastarbeider die problemen had met zijn verblijfsvergunning, die konden bij de stichting terecht.” Via Release werd Van Bennekom advocaat van Ralph Waver, de eerste Amerikaan die in Nederland deserteerde wegens de Vietnampolitiek. In 1971 vroeg hij asiel. De jarenlange rechtszaak die volgde, was Van Bennekoms leerschool in het asielrecht. Waver kreeg uiteindelijk een verblijfsvergunning, hoewel hij nooit als vluchteling werd erkend. Hij woont nog steeds in Nederland.

Eind jaren zeventig werd Van Bennekom voor het eerst gevraagd rechter te worden, maar op dat moment moest hij niets hebben van het bolwerk van de rechterlijke macht. Hij behoorde tot het ‘kollektief’ dat de RAF-leden Gerd Schneider, Christoph Wackernagel en Knut Folkerts verdedigde, die Nederland wilde uitleveren aan Duitsland. „Wij stonden daar onvoorwaardelijk achter”, zegt hij. „In Duitsland zouden ze zeker levenslang krijgen en onder onmenselijke omstandigheden worden gedetineerd. Voor mij was daar geen spoor van twijfel over.” In een interview destijds zei hij dat hij zich makkelijker kon identificeren met deze cliënten dan met de nabestaanden van hun slachtoffers.

Van Bennekom had geen spijt van die uitspraak – „die constatering was helemaal waar” –, maar het zette hem wel aan het denken, ook door de reacties die het opriep. „Geleidelijk drong tot me door dat ik leed aan wat je tegenwoordig een tunnelvisie zou noemen.” De RAF-terroristen werden uitgeleverd en kregen vijftien jaar cel in Duitsland. Van Bennekom bleef advocaat van Wackernagel en Schneider en zocht hen af en toe op. Wat toen gebeurde, zegt hij, bezegelde de omslag in zijn denken die hem deed overgaan naar de rechterlijke macht. „Na verloop van tijd begonnen die twee los te raken van hun oorspronkelijke oriëntatie. Het ging heel langzaam, maar de signalen waren onmiskenbaar. In een poging vervroegde invrijheidsstelling te krijgen, heb ik toen de Amsterdamse politie-inspecteur die de leiding had gehad bij hun arrestatie, gevraagd een keer mee te gaan naar Duitsland. Tot mijn verrassing stemde hij toe. Deze politieman had oog in oog gestaan met mensen die hem naar het leven stonden – bij hun arrestatie was hij gewond geraakt en een collega had blijvend letsel overgehouden. Toch ging hij zich ervoor inzetten dat zij eerder zouden vrijkomen. Dat is uiteindelijk ook gebeurd.”

Het bevestigde voor Van Bennekom dat zijn tunnelvisie tekortschoot. „Als je binnen het recht op een werkelijk fundamentele manier wilt omgaan met de problemen die geweldpleging oproept, kom je niet uit met een enkelvoudig gedachtegoed. De werkelijkheid is heel veel weerbarstiger dan je vanuit een tunnelvisie kunt bedenken. Ik voelde me steeds meer thuis bij een manier van denken en handelen waarin vanuit de nuance werd geopereerd. Ik was, om zo te zeggen, weer thuis.” Zijn vader had al in de jaren zeventig, toen zijn zoon voor het eerst was gevraagd rechter te worden, geformuleerd wat hem vijftien jaar later bewoog dit te doen. „Zou het ook kunnen zijn dat je aan de andere kant van de tafel met jouw kennis en ervaring iets kunt bijdragen tot de ontwikkeling van een andere jurisprudentie?”, schreef hij in een getypt briefje aan zijn zoon. „Dan zou je overstap zinvol kunnen zijn.”

Piepen en kraken

Maar sinds 2001, het jaar dat de Raad van State het hoger beroep in vreemdelingenzaken ging behandelen, is het voor rechters als Van Bennekom moeilijker geworden hun stempel te drukken op de jurisprudentie. Niet dat hij al zijn vonnissen heeft aangepast aan de nieuwe lijn. „Als ik een uitspraak doe, hou ik maar in beperkte mate rekening met de vraag wat er in hoger beroep van overeind blijft. Je weet ook niet van tevoren of er beroep wordt ingesteld. Ik heb vaak tegen jonge collega’s gezegd: een uitspraak is goed als je er zelf achter kunt staan. Maar je moet wel de hoofdlijnen volgen, anders ben je een soort Don Quichot. En je moet de rechtseenheid in het oog houden, Het is een groot maatschappelijk belang dat het niet uitmaakt bij welke rechter een zaak dient.”

Hoe onpartijdig is Van Bennekom zelf? Vanuit zijn voorgeschiedenis zou het niet verbazen als hij als rechter welwillend staat tegenover de vreemdeling, zoals de Raad van State volgens hem mild is voor de minister.

Van Bennekom benadrukt dat hij de partijdigheid al achter zich had gelaten op het moment dat hij rechter werd. „Als advocaat heb je een agenda die correspondeert met de belangen van je cliënten. Daarnaast had ik altijd een soort verborgen agenda die samenviel met mijn eigen opvattingen over wat rechtvaardig was. Als dat samenviel, was dat boffen. Als dat niet samenviel, was het piepen en kraken. Bij de rechter is iets spiegelbeeldigs aan de hand. Als bestuursrechter moet je nagaan of een besluit van de overheid – in mijn geval van de minister van Vreemdelingenzaken en Integratie – de toets der kritiek kan doorstaan. Aan de andere kant hebben rechters natuurlijk ook opvattingen over hoe de samenleving moet zijn geordend. De kunst is die privé-opvattingen zo min mogelijk een rol te laten spelen in je uitspraken. Dat lukt niet altijd, en dat hoef je ook niet altijd te willen. Er zijn genoeg zaken waarin een persoonlijk oordeel van de rechter onvermijdelijk is – wat is het gevaar voor de nationale veiligheid van imams? Wat is een passende straf voor Mohammed B.?”

Van Bennekom beschouwt zichzelf wel als een activistische bestuursrechter. Om aan te geven wat dat is, citeert hij oud-voorzitter Loeb van de vreemdelingenkamer van de Raad van State, die eens schreef dat bestuursrechters die altijd het bijzondere in een zaak willen vinden bij uitstek ongeschikt zijn voor het vak. „Ik denk dat een rechter niet op zoek moet gaan naar het bijzondere in een zaak, maar er wel een open oog voor moet hebben. Dat lijkt een nuanceverschil, maar is toch iets anders. Ik vind dat je iemand die asiel vraagt op Schiphol niet op dezelfde manier kúnt behandelen als een gemeente die een bestemmingsplan wijzigt, want die heeft dat jaren voorbereid. Ik reken mezelf tot de rechters die proberen binnen het kader van de toetsende arbeid het bijzondere in een zaak zoveel mogelijk te zien.”