Nederland en Europa gaan steeds meer op Turkije lijken

Turkije heeft onder druk van de EU zijn wetgeving aangepast aan Europa. Maar wat weinigen beseffen is dat het omgekeerde ook is gebeurd. De burger wordt in zijn vrijheden beknot.

Na een voorgeschiedenis van veertig jaar werd in 1999 in Helsinki de deur voor Turkije in principe opengezet. In de jaren die volgden heeft Turkije veel gedaan om zijn wetgeving aan Europa aan te passen. De beloning volgde in december 2004 in Den Haag, toen werd besloten de onderhandelingen te openen als nog aan een paar laatste voorwaarden zou zijn voldaan.

Op 3 oktober vorig jaar was het dan zover: het startschot voor de onderhandelingen werd gegeven. Je zou denken dat daarmee de grootste hindernissen genomen zijn en dat aan beide zijden nu energiek en blijmoedig aan het toekomstige lidmaatschap wordt gewerkt, maar niets is minder waar. Het gaat helemaal niet goed met de Turkse toetreding.

Het besluit van 2004 is genomen door Europese regeringsleiders en politici. Er was nooit een groot draagvlak voor onder de Europese bevolkingen. Populistische politici zoals Fortuyn, De Wilde, Le Pen of Haider die profiteerden van de angst voor globalisering, migratie en islam, zien in het luidkeels afwijzen van Turkije een kans zich te profileren.

De gekozen politici van de gevestigde partijen voelen zich kwetsbaar voor de populistische golf en durven hun vingers er niet aan te branden. In plaats van de toelatingsbeslissing te verdedigen en te proberen de publieke opinie te overtuigen, houden zij zich muisstil.

We zouden daarom kunnen concluderen dat Europa en Turkije uit elkaar drijven. Maar dat is schijn. Turkije en Europa groeien juist op een aantal belangrijke terreinen naar elkaar toe.

Tien jaar geleden wezen tegenstanders van Turkse toetreding met grote regelmaat op een aantal aspecten die Turkije wezenlijk anders maakten dan bijvoorbeeld een land als Nederland. Daar hoorden onder anderen de volgende punten bij:

Turkije was een ultra-nationalistisch land, dat met hand en tand zou vasthouden aan zijn eigen identiteit en soevereiniteit en eigenlijk alleen maar op aparte, eigen voorwaarden aan de EU deel zou willen nemen.

Turkije had geen enkel begrip voor de zegeningen van de multiculturele samenleving. Het hield strak vast aan het concept van één land, één volk en onderdrukte de culturele rechten van minderheden. Iedereen, wat ook zijn of haar afkomst, moest zich Turk voelen. Het motto was: „Gelukkig is hij die kan zeggen ‘Ik ben een Turk’ ” (een uitspraak van Atatürk).

Turkije was geen democratie. In het kader van de strijd tegen Koerdische afscheidingsbewegingen werden de individuele vrijheden er sterk beknot en hadden de veiligheidsdiensten en politie vrij spel. Martelingen waren aan de orde van de dag.

Turkije was niet seculier. De staat controleerde de religie. Via de staatsorganisatie voor de religie met zijn 90.000 ambtenaren mocht alleen een door de staat goedgekeurde boodschap verspreid worden. Dissidente imams werden vervolgd.

Dat werd een paar jaar geleden allemaal hoofdschuddend bekeken in Nederland, met zijn hang naar Europees federalisme, zijn waardering voor de veelkleurigheid van de multiculturele samenleving, zijn ongebreidelde individualisme en zijn verregaande scheiding van kerk en staat. Die Turken moesten nog veel leren voor ze bij Europa konden horen!

Maar kijk nu eens. De discussie rond de Europese grondwet heeft duidelijk gemaakt dat de euroscepsis, na Groot-Brittannië en Scandinavië, ook in Nederland heeft toegeslagen. De mensen willen wel een Europese Unie, maar een unie die de nationale staat zoveel mogelijk onaangetast laat en de bevoegdheden op een zo laag mogelijk niveau legt. Het wantrouwen jegens Brussel is enorm, we willen baas in eigen huis zijn. Ook in de nieuwe lidstaten is dit de trend.

De multiculturele samenleving is wel een realiteit, maar als publiekelijk beleden ideaal is zij sinds het optreden van Pim Fortuyn dood en begraven. Het accent is volledig verschoven naar de behoefte allen binnen onze grenzen tot Nederlanders te maken. Het scheppen van een nationale, bindende identiteit wordt gevoeld als een dringende noodzaak. We zien het aan de officiële poging voor een canon van de Nederlandse cultuurgeschiedenis samen te stellen en aan de inburgeringstoets van minister Verdonk. De geslaagde kandidaten hoeven op de Nationale Integratiedag nog net niet te roepen ‘Gelukkig is hij die kan zeggen: Ik ben een Nederlander’, maar veel scheelt het niet.

Sinds 2001 zijn in alle Westerse landen de bevoegdheden van de veiligheidsdiensten drastisch vergroot. Politici zeggen openlijk dat het in de strijd tegen het internationale terrorisme onontkoombaar is dat individuele rechten en privacy worden beknot. De mogelijkheden voor afluisteren zijn verruimd. Hinderlijk volgen door de politie van verdachten die officieel niets ten laste gelegd kan worden, is een geaccepteerde techniek geworden. Persoonsgegevens van luchtvaartpassagiers worden doorgegeven aan de Amerikaanse autoriteiten – al zijn door de EU hieraan onlangs beperkingen opgelegd – de CIA krijgt inzage in het complete elektronische bankverkeer. En Europese regeringen, waaronder de Nederlandse, kijken de andere kant op wanneer wordt vermoed dat terreurverdachten heen en weer worden gesleept om in Roemenië of Polen te worden gemarteld. Alles mag in de strijd tegen de terreur. En inderdaad: de meerderheid van de bevolking is bereid individuele vrijheden in te leveren voor meer veiligheid.

De gebeurtenissen van deze week bevestigen het idee dat ook andere Europese landen steeds meer op Turkije gaan lijken. Een van de verwijten die Turkije al heel lang – en terecht – wordt gemaakt, is dat het land een strafwet heeft die het mogelijk maakt mensen met afwijkende meningen over gevoelige kwesties (de massamoorden op de Armeniërs, de behandeling van de Koerden, de rol van het leger in de politiek) de mond te snoeren.

De aanname door het Franse parlement van een wetsvoorstel om ontkenning van de genocide strafbaar te maken, laat zien dat er ook in Europa sterke politieke krachten zijn die vinden dat het op de weg van de staat ligt om afwijkende meningen te verbieden. Turkije verbiedt zijn onderdanen de gebeurtenissen van 1915 te betitelen als genocide – Frankrijk stelt dat juist verplicht. Maar uiteindelijk zijn beide maatregelen gebaseerd op dezelfde veronderstelling: de politieke meerderheid bepaalt welke meningen wel en welke niet thuishoren in het publieke debat.

En ten slotte: wie had tien jaar geleden gedacht dat radicale imams wegens het prediken van haat het land uitgezet zouden worden, in Frankrijk, in Engeland, maar ook in Nederland? Dat de overheid systematisch in de gaten zou gaan houden welke religieuze boodschap er in moskeeën wordt verspreid en daar ook openlijk voor uit zou komen? Dat de regering het initiatief zou nemen voor (door Den Haag betaalde) imamopleidingen om te zorgen dat er voorgangers zouden komen die ‘Nederlandse’ waarden als democratie en tolerantie in hun preken zouden verdedigen? En dat nog wel in een land van dominees, waar de autonomie van de kerken onaantastbaar is en de scheiding van kerk en staat wordt beleden.

Deze ontwikkelingen zijn niet allemaal slecht. Je zou ook kunnen zeggen dat ze laten zien dat het Nederland dat zich tot voor kort in een vreedzaam paradijs waande, een zondeval heeft meegemaakt en van de appel van de werkelijkheid heeft gegeten. Dat het zich bewust is geworden van de gevaren van de grote, boze wereld.

Dat is allemaal niet verkeerd, maar het betekent wel dat in dezelfde tijd waarin Turkije bezig is zich aan Europa aan te passen, de Europese landen juist zijn opgeschoven naar het Turkse model.

E.J. Zürcher is hoogleraar Moderne geschiedenis van Turkije aan de Universiteit Leiden.