Cactus

Komaan, dacht A.F.Th. van der Heijden, ik zal me ook maar eens mengen in het straatrumoer. Dat willen ze toch zo graag van ons schrijvers? Hij stroopte één mouw tot halverwege op, deed zijn voordeur op een kier, keek of de kust veilig was – dat was-ie – en riep toen snel: „Boe!”

Daarna sloot hij weer haastig de deur. „Adri, het eten wordt koud”, klonk een vrouwenstem.

Gisteravond zagen we op de opiniepagina van NRC Handelsblad het resultaat van de interventie. Van der Heijden signaleerde uitvoerig ‘een significante pietluttigheid’ in het boek Dood van een gezonde roker van Ian Buruma. Roman Polanski zou, in tegenstelling tot wat Buruma beschrijft, juist niet geërgerd hebben gereageerd op de cactus die Van Gogh hem in zijn tv-interview had aangeboden.

Ja, daar keek ik wel even van op – maar om een andere reden dan Van der Heijden beoogde.

Wat is er aan de hand? Ian Buruma, hoog aangeschreven in de internationale journalistiek, schrijft als buitenstaander een belangwekkend boek over het huidige Nederland. Hij spreekt met mensen van alle denkrichtingen in het islamdebat, hij weegt de argumenten en formuleert op zijn bekende behoedzame wijze zijn oordeel. Dat zou ik willen samenvatten met deze drie zinnen tegen het einde van het boek: „Als alle ware moslims politieke revolutionairen waren, had Hirsi Ali ongetwijfeld gelijk. Maar dat is niet zo, zelfs orthodoxe moslims zijn niet allemaal politieke revolutionairen. Cohen verdient het voordeel van de twijfel.”

Die woorden kwamen hard aan in het kamp van Hirsi Ali. Het steunen van burgemeester Cohen in zijn pogen ‘de boel bij elkaar te houden’ staat daar ongeveer gelijk aan het rehabiliteren van een NSB’er, zoals Cohen hardnekkig door Van Gogh werd genoemd. Men had dit niet verwacht van een onpartijdige intellectueel als Buruma.

De gevolgen waren voorspelbaar na de ervaringen van Geert Mak met zijn pamflet Gedoemd tot kwetsbaarheid. Ook toen maakten de tegenstanders veel kabaal over allerlei al of niet ‘significante pietluttigheden’, zonder op de kern van Maks betoog in te gaan. In het geval van Buruma begonnen geïnterviewden – maar alleen zij die het oneens waren met de strekking van het boek – te klagen dat ze verkeerd geciteerd waren. Paul Scheffer bleek geen maoïst, maar alleen communist geweest. Dat werk.

Buruma heeft zaterdag in deze krant waardig gereageerd op al die boze bezwaartjes. Ik licht ook uit dat stuk enkele kernzinnen: „Heeft het zin om moslims te vernederen door hun te wijzen op hun vermeende inferioriteit? Als we integratie van islamitische burgers serieus willen bevorderen, lijkt me dit contraproductief.”

Terug naar Van der Heijden, hopelijk inmiddels aangeschoven aan de avonddis. „Maar zoveel onzorgvuldigheid in de details stemt nou juist argwanend jegens het onderliggende betoog”, schreef hij parmantig in zijn cactusbeschouwing.

Ik kan me van Van der Heijden niet één bijdrage aan het islamdebat herinneren. Lees nu eerst eens dat ‘onderliggende betoog’ goed, zou ik hem willen adviseren. Daar ligt het voor. Schrijf er daarna een goed stuk voor of tegen – maar val ons niet lastig met geürm over cactussen die ooit wel of niet teder gekust zijn.

    • Frits Abrahams