What’s in a name

Júh! Allochtoon!” De aangesprokene kijkt over zijn schouder achterom, stapt van zijn fiets en riposteert: „Dat mag je niet meer zeggen. Lees jij geen kranten?” De jongen blaft terug: „Hoor wie het zegt. Leer eens Nederlands lezen man. Dat was vorige maand. En alleen maar bij de PvdA in Amsterdam. Twee dagen later trokken ze het in. Beter lezen, allochtoon!”

Dit maakt de aangesprokene pas werkelijk pissed. Hij zet zijn Gazelle tegen het tramhokje, loopt op de spreker af, grijpt hem met twee handen bij zijn kraag en valt, vijf centimeter voor zijn gezicht, uit: „Noem mij geen allochtoon, ik ben een bicultureel, klootzak, een bicultureel, hoor je me? Dat stelde opleidingscentrum De Baak van werkgeversorganisatie VNO-NCW voor, weetjewel?”

Op dat moment stopt er een paarse Vespa. Als de helm af gaat en ik lange lokken zie wapperen, herken ik de bestuurster: Julia! „Jongens, kom op zeg,” begint ze. „Wat is een naam? Zou dat wat wij een roos noemen niet even zoet ruiken onder elke andere naam?”

„Wat had je in gedachte?” vraagt de oude man die in het tramhokje zit. „Gastarbeider? Dat was ook ooit in het leven geroepen als vriendelijke variant voor kleurling. Migrant, etnische minderheid? Jullie buitenlanders verslijten meer namen in vier decennia dan wij onderbroeken in een heel leven.”

De bicultureel briest: „Wij? Wij kiezen daar niet voor! Jullie komen elke vijf jaar weer met een nieuw woord. Jullie verwachten nog altijd te veel van de taal. Alsof je met het veranderen van woorden ook de waarheid verandert. In den beginne was het woord en het woord werd vlees, zegt jullie achterlijke religie, maar het is andersom. Eerst is er het vlees...” Hij kijkt schichtig naar Julia. „…en dat kun je noemen hoe je het maar wilt. What’s in a name, weet je.”

„Romeo!” roept Julia. „Je begrijpt me!” Als de bicultureel plaatsneemt op haar scooter, en ze samen wegrijden naar het naamloze, zie ik de Gazelle nog staan.

„Die was toch gejat,” besluit de jongen. „Dat heb je met die biculturelen.”

Christiaan Weijts

Schrijver van de roman Art. 285b en redacteur van het Leidse universiteitsblad Mare.